Weerstandsvermogen en risicobeheersing

Beleid voor risicomanagement

Terug naar navigatie - Beleid voor risicomanagement

Door inzicht in de risico’s is de organisatie in staat om op verantwoorde wijze besluiten te nemen, zodat de risico’s nu en de risico’s die gerelateerd zijn aan toekomstige activiteiten in verhouding staan tot de vermogenspositie van de organisatie. Om inzicht in de risico’s te verkrijgen worden er risico-inventarisaties uitgevoerd. De inventarisatie wordt gedurende het jaar bijgewerkt. Hieronder wordt verslag gedaan van de resultaten van de meest recente risico-inventarisatie om een zo actueel mogelijk beeld te geven. Op basis van de geïnventariseerde risico’s is het benodigde weerstandsvermogen berekend. 

De doelstelling van de paragraaf weerstandsvermogen is een zodanig inzicht te verschaffen dat op een verantwoorde wijze de hoogte van het vrij aanwendbare vermogen kan worden bepaald. Het weerstandsvermogen is het vermogen om niet-structurele financiële risico’s op te kunnen vangen teneinde zijn taken te kunnen voortzetten. Anders gezegd: beschikt de gemeente over het vermogen om financiële tegenvallers op te kunnen vangen zonder dat het beleid behoeft te worden aangepast. Het weerstandsvermogen is van belang voor het bepalen van de gezondheid van de financiële positie van de gemeente Bladel voor het begrotingsjaar, maar ook voor de meerjarenraming.

Uw raad heeft in de vergadering van 27 april 2006 de nota weerstandsvermogen en risicomanagement vastgesteld en in de vergadering van 25 maart 2021 de nota reserves en voorzieningen 2021. Deze nota’s en de paragraaf weerstandsvermogen hebben nauw verband met elkaar. In deze nota’s zijn vooral de beleidslijnen en de totale positie aan de orde gesteld. In de paragraaf weerstandsvermogen worden met name de financiële risico’s en het weerstandsvermogen geactualiseerd op basis van de laatste inzichten. Op deze wijze krijgt uw raad periodiek goed inzicht in de omvang en de mogelijkheden om financiële risico’s op te vangen. De ratio weerstandsvermogen c.q. algemene reserve wordt uitgedrukt als de verhouding tussen de algemene reserve en het gemiddelde van de geïnventariseerde risico’s. We sturen op de aanwezigheid van een ratio weerstandsvermogen binnen de grenzen van de waardering 3 (voldoende) in de bandbreedte van >1,0 tot <1,4. In onderstaand overzicht worden de waarderingsschalen weergegeven:

Waarderingsschaal Ratio weerstandsvermogen Betekenis
1 x > 2,0 Uitstekend
2 1,4 < x < 2,0 Ruim voldoende
3 1,0 < x < 1,4 Voldoende
4 0,8 < x < 1,0 Matig
5 0,6 < x < 0,8 Onvoldoende
6 x < 0,6 Ruim onvoldoende

Risicoprofiel

Terug naar navigatie - Risicoprofiel

In de op 25 maart 2021 vastgestelde nota reserves en voorzieningen 2021 is het eigenstandig risicoprofiel als normatief kader voor de omvang van de algemene reserve bepaald op de gemiddelde omvang van de geïnventariseerde risico’s.

Berekening onbenutte belastingcapaciteit
De onbenutte belastingcapaciteit zijn de extra structurele middelen die gegenereerd kunnen worden door de gemeentelijke belastingen en heffingen (OZB, afvalstoffenheffing, rioolrechten en leges) te verhogen. Voor de heffingen zijn overigens regels gesteld: de tarieven mogen maximaal kostendekkend zijn in meerjarenperspectief.  Hierin zit geen ruimte die de weerstandscapaciteit vergroot. Voor de OZB is de capaciteit te berekenen door de maximale belastingtarieven te vergelijken met de belastingtarieven in de gemeente Bladel. Voor de maximale belastingtarieven is gebruik gemaakt van de normen voor “een redelijk peil van de eigen heffingen” bij het zogenaamde artikel 12 beleid zoals genoemd in de circulaire Gemeentefonds. Deze bedragen zijn niet meegenomen bij het bepalen van de weerstandscapaciteit van de gemeente Bladel. Reden: wijziging van OZB-tarieven vraagt om een beleidswijziging van de raad. 

Risico-inventarisatie

Terug naar navigatie - Risico-inventarisatie

Indien een redelijke inschatting van het gewenste weerstandsvermogen kan worden gegeven, kan hieruit een indicatie voor de gezondheid en flexibiliteit van de gemeentelijke financiën op de korte én langere termijn worden gegeven. Om te bepalen of het weerstandsvermogen toereikend is, wordt de relatie gelegd tussen de gemiddelde omvang van de financieel gekwantificeerde risico’s en de daarbij gewenste omvang van de algemene reserve enerzijds en de omvang van de algemene reserve anderzijds. Het beschikbare weerstandsvermogen is tenminste even groot als de omvang van het bepaalde risicoprofiel. De gewenste omvang van het weerstandsvermogen moet zich tenminste op de waardering 3 (voldoende) begeven.

Om een juist beeld van de financiële positie van de gemeente te verkrijgen, is het noodzakelijk dat het ook helder is met welke risico’s de gemeente nog kan worden geconfronteerd. Het gaat hierbij om mogelijke uitgaven c.q. inkomsten waarvan de hoogte op voorhand niet kan worden vastgesteld. Voor zover risico’s wel financieel vertaald kunnen worden, zullen daarvoor bedragen van het eigen vermogen moeten worden afgezonderd. Waar mogelijk zijn voor potentiële risico’s al voorzieningen getroffen. Deze blijven hier dan ook verder onvermeld.

Primair moeten risico’s uiteraard zoveel mogelijk worden beperkt of worden voorkomen door zorgvuldigheid van procedures. Het is van belang om periodiek een zo breed mogelijke analyse van de risico's te maken, die de financiële zelfstandigheid van de gemeente in gevaar kunnen brengen. Onder risico wordt in dit verband verstaan ‘een niet door de gemeente te beïnvloeden gebeurtenis, onvoorspelbaar en onafwendbaar indien deze zich voordoet, met veelal financiële of materiële gevolgen die niet specifiek af te dekken zijn’.

De financiële risico’s worden per hoofdtaakveld nader toegelicht. Voor elk risico is een inschatting gemaakt van de kans dat de aangegeven gebeurtenis zou kunnen optreden. Hierbij worden drie categorieën onderscheiden, namelijk ‘laag’, ‘midden’ en ‘hoog’. Gesproken wordt van een ‘laag’ risicoprofiel indien de kans gemiddeld voor 25% zou kunnen optreden. Een ‘midden’ risicoprofiel beweegt zich op 50% en een ‘hoog’ risicoprofiel op gemiddeld 75%. Anders gezegd, een kwalificatie met ‘hoog’ impliceert dat het al bijna noodzakelijk is om voor dat risico een voorziening te treffen. Vervolgens is een financiële indicatie opgenomen van de omvang van het risico door de kans te vermenigvuldigen met het gemiddelde effect en is aangegeven of het risico van incidentele dan wel structurele aard is.

Hoofdtaakveld: Bestuur en ondersteuning

- (1) Wachtgelden wethouders
Het is mogelijk dat een wethouder wegens een politiek conflict of in verband met verkiezingen uit het college stapt met recht op wachtgeld. Bij vertrek van één wethouder kan het risico bepaald worden op ca € 60.000,- per jaar gedurende ca 3 jaren. In voorkomende gevallen wordt hiervoor een voorziening gevormd voor de totale verplichting jegens de voormalige wethouder.

- (2) Gevolgen coronavirus
Het is zeer ongewis wat de financiële effecten van de corona crisis zijn op de begroting 2022 en de meerjarenraming 2023-2025. De financiële effecten zijn door ons niet )goed) in te schatten. Wij gaan er daarnaast van uit dat het rijk de financiële gevolgen van de corona-crisis  (grotendeels) compenseert. Eventuele financiële gevolgen worden bij de tussentijdse rapportages en op jaarrekeningbasis verwerkt. We schatten het risico vooralsnog in op pm.

- (3) Nieuw verdeelmodel gemeentefonds
Op 12 augustus 2021 zijn de voorlopige (aangepaste) uitkomsten van de herverdeling van het gemeentefonds gepubliceerd op de website van de rijksoverheid.  Op basis van deze uitkomsten (cijfers uit 2019) moeten we rekening houden met een voorlopig negatief herverdeeleffect van ca € 967.000,-. Deze uitkomsten zijn voor advies voorgelegd aan de ROB en VNG. Dit leidt ongetwijfeld nog tot verschuiving in de herverdeeleffecten. In het kader van behoedzaamheid hebben we daarom vooralsnog 75% van de gepresenteerde herverdeeleffecten opgenomen.  Afhankelijk hiervan schatten wij de mogelijke nadelen binnen de huidige planningsperiode (tot en met 2025) in binnen een bandbreedte van € 78.000,- en € 242.000,-. Wij schatten deze vooralsnog, in afwachting van de definitieve cijfers, laag in.

- (4) Personeelsvoorzieningen
In het geval van ziekte en/of arbeidsongeschiktheid moet de gemeente als werkgever maximaal twee jaar het salaris aan de betrokken werknemer doorbetalen. Wanneer zich een geval van ziekte voordoet, waarvoor vervanging nodig is, kost dit de gemeente extra geld. Daarnaast geldt dat er binnen onze organisatie ook een behoorlijke mate van kwetsbaarheid is ten aanzien van specifieke kennis, omdat deze ingevuld worden door zgn. “éénmensfuncties”. Door de gemeenteraad noodzakelijk en wenselijk geachte activiteiten (maar ook de reguliere werkzaamheden) moeten veelal (mede) worden gerealiseerd via inzet van de ambtelijke medewerkers in onze steeds ‘krapper’ wordende organisatie. Om alles tijdig te realiseren moet er evenwicht zijn tussen de te leveren prestaties en de beschikbare menskracht. Het is de taak van ons college om samen met het management dit evenwicht te zoeken en te handhaven. Waar dat niet mogelijk is zullen keuzes onvermijdelijk zijn. Het financieel risico wordt ingeschat op een bandbreedte van € 25.000,- tot € 55.000,-.

- (5) Risico’s op eigendommen
De gemeente Bladel wordt ook steeds meer geconfronteerd met toenemende vernielingen aan de gemeentelijke eigendommen. Daar de dader(s) vaak niet meer te achterhalen zijn kunnen de kosten van herstel niet in alle gevallen verhaald worden. Op basis van uitgevoerde risico-analyses uit het verleden wordt dit incidenteel risico ingeschat op een bandbreedte van € 15.000 tot € 25.000,-.

- (6) Gevolgen waardering activa
De raad heeft in zijn vergadering van 25 maart jl het nieuwe afschrijvingsbeleid vastgesteld, waarin uitgangspunt is dat afgeschreven wordt tot een boekwaarde van € 0,-. Voor sommige vaste activa kan echter van tevoren vastgesteld worden dat sprake dient te zijn van een restwaarde, omdat een deel van het actief geacht wordt altijd zijn waarde te behouden (tot het moment van verkoop of buitengebruikstelling natuurlijk). Het hanteren van een restwaarde kan voor de langere termijn daarentegen onzekerheden bestaan met financiële consequenties tot gevolg. Om deze onzekerheid weg te nemen willen we hiervoor bij de bepaling van de omvang van het weerstandsvermogen een bedrag opnemen binnen een bandbreedte van € 100.000,- tot € 500.000,-. Het incidentele risicoprofiel schatten wij vooralsnog als ‘laag‘ in. Jaarlijks monitoren we het risicoprofiel in de reguliere P&C-documenten.

- (7) Informatiebeveiliging en privacy
Zowel bij het gebruik van gegevens binnen de gemeente, als bij de uitwisseling van informatie, moet de gemeente rekening houden met beveiligings- en privacyaspecten. Als uitgangspunt worden de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) gebruikt voor informatiebeveiliging en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) voor privacy. Door zo goed mogelijk te voldoen aan de normen van de BIO en de AVG worden de risico’s verkleind. Middels ENSIA (Eenduidige Normatiek Single Information Audit) wordt getoetst in hoeverre er wordt voldaan aan de BIO. Op basis van ENSIA en een jaarlijkse risico-inventarisatie- en evaluatie wordt het informatiebeveiligingsplan bijgesteld. Het plan is bedoeld om middels een prioritering te komen tot een situatie waarin zo goed mogelijk wordt voldaan aan de eisen in de BIO, om hiermee de informatieveiligheid te vergroten. Ook worden er ‘Privacy Impact Assessments’ (PIA’s) uitgevoerd op een aantal werkprocessen waarbij gevoelige persoonsgegevens verwerkt worden. Middels deze PIA’s wordt beoordeeld of de verwerking van persoonsgegevens op een juiste manier plaatsvindt. Hier komen eventueel aanbevelingen uit voort die opgepakt worden om nog beter met persoonsgegevens om te gaan. Op die manier wordt het risico van onjuiste omgang met persoonsgegevens verkleind.
Er blijft echter altijd een risico bestaan dat er een informatiebeveiligingsincident of datalek plaatsvindt. De informatiebeveiligingsdienst (IBD) ondersteunt gemeentes en waarschuwt voor acute risico’s. Door het advies van de IBD altijd met urgentie op te volgen, worden risico’s zo klein mogelijk gehouden. Bij in het oog springende ontwikkelingen zoals de grootschalige hack bij Solarwinds en Hof van Twente, de vervanging van PKI-overheid certificaten, de coronacrisis of de ongeldigverklaring van het Privacy Shield verdrag tussen de EU en de VS deelt de IBD advies en een analyse over de betekenis voor de informatievoorziening van de lokale overheid in Nederland. Dit voorkomt dat alle gemeenten voor zich contact moeten leggen met (inter)nationale organisaties en veel inzet van schaarse interne capaciteit. De schakelfunctie van de IBD maakt het vervolgens mogelijk dat gemeenten hun oplossingsrichting kunnen delen met anderen.
Naast dat bijvoorbeeld hackers zich blijven ontwikkelen en slimmer worden, kunnen ook medewerkers onbewust informatie lekken, of kan er ongemerkt wetgeving geschonden worden. Daarom blijft bewustwording een belangrijk aspect voor de bescherming van gegevens.

Beveiligingsincidenten en datalekken hebben voor gemeenten het risico op imagoschade en financiële schade. Financiële schade kan voortkomen uit boetes, herstelkosten of aansprakelijkstellingen. Voor de financiële schade wordt een bedrag van € 30.000,- als risico opgenomen.

Hoofdtaakveld: Verkeer en vervoer

- (8) Gladheidbestrijding
De gladheidbestrijding is middels een contract ondergebracht bij een aannemer voor de duur van vijf jaren en eindigt per 30 september 2021. Gladheidbestrijding is een apart werkveld en het voorspellen van de duur en hevigheid van een winterperiode is erg moeilijk. Tijdens extreme situaties, bijvoorbeeld bij (hevige) sneeuwval in combinatie met strenge vorst, moet dan ook intensiever worden geschoven en gestrooid. Derhalve zijn naast een maandelijkse vergoeding ook eenheidsprijzen in het contract opgenomen met betrekking tot het schuiven en strooien van vooraf bepaalde routes. Bij de beschikbare gestelde middelen wordt uitgegaan van normale winterse omstandigheden, wat per winterseizoen neer komt op 27 maal de vooraf bepaalde routes schuiven en strooien. Zodra sprake is van extreme situaties kunnen de meerkosten oplopen doordat vaker dan gemiddeld wordt gestrooid. Rekening houdend met extremere situaties, waarbij een toename van 35% extra werkzaamheden met betrekking tot gladheidbestrijding aannemelijk wordt geacht, is er sprake van een risico van ca. € 25.000,- aan extra kosten.

- (9) Overdracht beheerkosten wegen t.p.v. KBP
Het beheer en onderhoud van fase 2 zal eerst aan het einde van de exploitatieperiode (ca 2024) naar de gemeente overgedragen worden. Op basis van een indicatieve inschatting dient t.z.t. rekening gehouden te worden met ca € 99.000,- extra onderhoudskosten aan wegen, openbare verlichting, e.d.

Hoofdtaakveld: Sport, cultuur en recreatie

- (10) Overdracht beheerkosten groen t.p.v. KBP
Het beheer en onderhoud van fase 2 zal eerst aan het einde van de exploitatieperiode (ca 2024) naar de gemeente overgedragen worden. Op basis van een indicatieve inschatting dient t.z.t. rekening gehouden te worden met ca € 77.000,- extra onderhoudskosten aan het openbaar groen.

- (11) Natuurplagen
Door ‘natuurplagen’ (processierupsen, kevers, luizen, rattenplagen, iep- en kastanje ziektes e.d.) zullen er in voorkomende gevallen extra onderhoudswerkzaamheden verricht moeten worden aan het openbaar groen, sportvelden en de bossen. Op basis van eerdere onderhoudswerkzaamheden wordt dit incidenteel risico bepaald binnen een bandbreedte van € 100.000,- tot € 120.000,-. Voorts wordt voor de overige calamiteiten en claims een incidenteel risico bepaald binnen een bandbreedte van ca € 20.000,- tot € 30.000,-.

Hoofdtaakveld: Sociaal domein

- (12) Uitvoering loonkostensubsidie (KempenPlus)
Vanaf 2022 is de hoogte van het budget afhankelijk van de gerealiseerde inzet van loonkostensubsidie uit het vorige jaar. In tegenstelling tot de huidige situatie wordt voor gemeenten straks een apart macrobudget voor loonkostensubsidie bepaald. Daarbij wordt rekening gehouden met de oploop als gevolg van de groei van de doelgroep. Het budget wordt jaarlijks vastgesteld op basis van realisaties uit het vorige jaar. Dit wordt ook gecorrigeerd voor de gevolgen van beleid en de loon- en prijsontwikkeling. Dit is voor gemeenten een stimulans om het budget volledig in te zetten voor het instrument loonkostensubsidie.

Tot op heden worden loonkostensubsidies betaald uit het macrobudget Participatiewetuitkeringen. Achterliggende gedachte was dat gemeenten met de inzet van loonkostensubsidie kunnen besparen op de bijstandsuitgaven. Gevolg is echter dat wanneer een gemeente zich extra inzet, hiervoor geen extra budget ontvangt. Daarnaast kunnen de lasten voor de inzet van loonkostensubsidie soms hoger zijn dan de besparing op de uitkeringslasten. Dit is bijvoorbeeld het geval bij plaatsing van een niet uitkeringsgerechtigde of bij mensen met een lage loonwaarde. We schatten het risico vooralsnog in op pm.

- (13) Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
Binnen de Wmo is de laatste jaren een kostenstijging te zien en ook binnen meerjarenperspectief wordt een verdere kostenstijging verwacht. Deze kostenstijging wordt met name veroorzaakt door de volgende vier factoren. Allereerst zien we in de Wmo steeds meer de gevolgen van de vermaatschappelijking van de zorg, omdat mensen met een ondersteuningsvraag - langer - thuis blijven wonen. De toename van met name ouderen met een intensieve (Wmo-)ondersteuningsvraag en mensen met een psychiatrische problematiek vormen een steeds groter financieel risico. Met voorliggende collectieve Wmo-voorzieningen in onze Bladelse kernen proberen we daar samen met lokale vrijwilligers, mantelzorgers en zorgorganisaties een antwoord op te geven. Verder spelen algemene demografische ontwikkelingen zoals dubbele vergrijzing een belangrijke rol in de kostenontwikkelingen. Als derde oorzaak zorgen loon- en prijsontwikkelingen (in het algemeen en in verband met nieuwe aanbestedingen met hogere kostprijzen) ervoor dat het inzetten van ondersteuning/zorg en het waarborgen van de continuïteit hiervan steeds kostbaarder wordt.
Ten slotte is de toegang tot Wmo-maatwerkvoorzieningen door invoering van een landelijk inkomensonafhankelijk vast abonnementstarief van € 19,- per maand laagdrempeliger geworden. Dit met een aanzuigende werking als gevolg. Ook in 2022 blijft dit een belangrijk financieel risico.

- (14) Invoering woonplaatsbeginsel / Voogdij en 18+
Het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet regelt welke gemeente financieel verantwoordelijk wordt. Het huidige woonplaatsbeginsel is gebaseerd op de woonplaats van de gezagsdrager van een jeugdige. Het nieuwe woonplaatsbeginsel gaat uit van de woonplaats waar de jeugdige staat ingeschreven op het moment van de zorgvraag. De gemeente waar de jeugdige vandaan komt, wordt dus verantwoordelijk voor de jeugdige en voor de kosten van de jeugdhulp voor deze jeugdige. Deze wijziging van het woonplaatsbeginsel betekent dat, vanaf datum inwerkingtreding (01-01-2022) de nieuwe instroom beoordeeld dient te worden aan de hand van het nieuwe woonplaatsbeginsel. Daarnaast kennen we een (administratieve) migratiegroep, de zittende populatie van jeugdigen die nu en op datum inwerkingtreding van het nieuwe woonplaatsbeginsel jeugdhulp ontvangen, en gaan vallen onder het nieuwe woonplaatsbeginsel.
De administratieve migratie kent ook financiële consequenties. Hoe deze per saldo gaan uitpakken voor de gemeente Bladel wordt in de loop van dit jaar steeds meer duidelijk als we inzicht verwerven in de aantallen.

- (15) Start exploitatie MFA Hart van Hapert
Volgens planning wordt de bouw van de nieuwe MFA (Multifunctionele accommodatie ) Hapert per 1 april 2022 opgeleverd. Daarna zullen nog diverse werkzaamheden plaatsvinden om het gebouw gebruiksgereed af te ronden. Voor de zomer moet ook de buiteninrichting afgerond worden. De nieuwe MFA moet ingaande seizoen / schooljaar 2022-2023 helemaal gebruiksklaar zijn. Dan start ook de exploitatie van dit nieuwe onderkomen. Met de beherende instelling (Stichting tot Beheer en Exploitatie MFA-Hapert, kortweg Stichting MFA) zal een subsidieovereenkomst worden gesloten. De hoogte van de bijdrage wordt, analoog aan de huidige situatie bij andere gemeenschapshuizen, bepaald op het bedrag wat men in alle redelijkheid nodig zal hebben om een sluitende exploitatie te realiseren. Dat bedrag zal zich pas na een paar jaar exploiteren “gaan zetten”. Tot die tijd is het voorlopige uitgangspunt, een zelfde exploitatiebijdrage als thans wordt verleend aan het gemeenschapshuis. Daarvan is bekend dat deze bijdrage feitelijk al een aantal jaren tekortschiet voor een sluitende exploitatie. In het zicht van de nieuwe MFA is besloten die bijdrage niet te verhogen, maar tot aan de start van de MFA, tekorten op te vangen ten laste van het Eigen Vermogen van het gemeenschapshuis. De verwachte jaarlijkse bijdrage tbv de MFA wordt dus niet volledig gedekt door de bijdrage waarmee binnen het subsidieprogramma rekening wordt gehouden. Dat moet feitelijk € 50.000,- hoger zijn. Om u tijdig een juist en volledig beeld van de financiële gevolgen van de start van de MFA te schetsen, wordt hiervan nu melding gemaakt. In het Jaarprogramma Welzijn, inclusief de subsidieverlening aan gemeenschapshuizen, zullen we die extra bijdrage nader vertalen.

Medio 2021 wordt onderzoek gedaan naar de benodigde personeelsformatie voor de nieuwe MFA.
Bekend is dat zowel voor het beheer van de gemeenschapshuistaken als voor het beheer van de sporthal (een taak die bij de start van de MFA over gaat naar de beherende instelling: Stichting MFA) formatie moet worden aangesteld. Voorstelbaar is dat van een zelfde formatie sporthalbeheer wordt uitgegaan, dan nu afzonderlijk wordt geregeld. Onduidelijk is echter in hoeverre de beoogde voortdurende reuring in het gebouw en de “in principe 24/7 openstelling van de MFA” extra formatie (= extra exploitatiekosten) zal vergen. Extra formatie bovenop de som van formatie sporthal én gemeenschapshuis nu, zal leiden tot extra kosten maar wellicht ook tot extra inkomsten. De exploitatie gedurende de eerste exploitatiejaren moet ons duidelijkheid verschaffen.

Hoofdtaakveld: Volksgezondheid en milieu

-(16) Verwerkingsovereenkomst restafval Attero
Op 29 juni jl. heeft het Hof Den Haag de arbitrale vonnissen vanwege de minderleveringen van brandbaar (huishoudelijk) restafval in 2015, 2016 en januari 2017 vernietigd. Na dit arrest van het hof bestaat voor alle procespartijen de mogelijkheid om tegen dit arrest in cassatie te gaan bij de Hoge Raad. De termijn voor het instellen van cassatie is 3 maanden. Dit betekent dat Attero uiterlijk 29 september 2021 cassatie in moet stellen. Attero beraadt zich daar nog over. Dit zal moeten worden afgewacht en zodra duidelijk is dat er cassatie komt, zal in die procedure verweer gevoerd moeten worden. We schatten het risico vooralsnog in op pm.

Hoofdtaakveld: Volkshuisvesting en ruimtelijke ordening

- (17) Grondexploitatie
Voor de risico’s verbonden aan de grondexploitatie wordt verwezen naar de paragraaf grondbeleid. De algemene reserve grondexploitatie is gevormd voor de dekking van de risico’s verband houdend met de grondexploitaties. Op 11 juli 2007 is met een ingezetene en de gemeente een overeenkomst gesloten, waarin – kort samengevat - afspraken zijn gemaakt over het beschikbaar stellen van een kavel op De Beemd, alsmede over de opslag van grond en bouwmaterialen op het perceel De Pan ongenummerd. De nakoming van deze overeenkomst heeft uiteindelijk geleid tot een juridische procedure, waarbij de gemeente op 24 april 2013 bij de rechtbank volledig in het gelijk is gesteld. Appellant heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Op 26 januari 2016 heeft het Gerechtshof arrest gewezen. Hierbij is de appellant in het gelijk gesteld. Het Hof heeft – kort samengevat - bepaald dat de gemeente toerekenbaar tekort is geschoten in nakoming van de vaststellingsovereenkomst van 11 juli 2007 en veroordeelt de gemeente tot vergoeding van de geleden schade. De schade wordt bepaald in een afzonderlijke procedure waarvoor onafhankelijke deskundigen zijn aangewezen. Op 13 oktober 2020 is hierover een zitting geweest bij de rechtbank. De rechtbank heeft eindelijk op 14 april 2021 uitspraak gedaan in de schadestaatprocedure van de appellant (inzake de nakoming van de vaststellingsovereenkomst). De schade, die al jaren een PM post in de begroting oplevert, is door de rechtbank bepaalt op € 2.459,- plus rente. Appellant heeft nog drie maanden om in hoger beroep te gaan.

- (18) Actualisatie winstuitnames grondexploitatie
De gemeente Bladel neemt tussentijds winst als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan (laag risicoprofiel). In het BBV (notitie grondexploitatie) zijn regels vastgelegd over de wijze van winstnemingen. In de notitie wordt aangegeven dat bij tussentijdse winstnemingen de percentage of completion methode (POC) dient te worden gevolg: voor zover gronden zijn verkocht en opbrengsten zijn gerealiseerd moet tussentijds naar rato van de voortgang van de grondexploitatie winst worden genomen.

Eerdere jaren nam de vraag naar grond weer toe, het lijkt erop dat de hausse voorbij is. De verkopen lijken in een rustiger vaarwater te komen. Dit heeft ook als consequentie dat de aanvankelijk geprognosticeerde winstuitnames, gelet op het vastgestelde beleid in de Nota Grondbeleid 2009 en de nieuwe voorschriften BBV bijgesteld moeten worden.

Wij hebben nu rekening gehouden met een normale fasering in grond uitgifte en gelijkblijvende grondprijzen, beide ingegeven door het economische klimaat en de signalen in de woningbouw. Vanaf 2016 zijn we als gemeente verplicht om vennootschapsbelasting (Vpb) te betalen over de fiscale winsten. Voorts wordt verwezen naar de paragraaf grondbeleid.

In de grondexploitaties wordt voor de boekjaren 2021 tot en met 2025 een gemiddelde (commerciële) winst verwacht van € 233.000,-. Het (conjuncturele) risico wordt ingeschat op een bandbreedte van 15% en 25% van het gemiddelde van de geraamde (commerciële) winstuitname gedurende de planperiode. Het risico wordt dan ingeschat op een bandbreedte van € 35.000,- tot € 58.000,-. Dit risico schatten wij als midden in.

- (19) Gevolgen Stikstofbesluit (PAS regels) / PFAS / Corona grondexploitaties
In alle lopende grondexploitaties, waarvan het bestemmingsplan al vastgesteld c.q. onherroepelijk is, is in de onderbouwing van bestemmingsplannen geconcludeerd dat stikstof geen probleem is. Verder zijn er door de stikstofcrisis in de gemeente Bladel niet minder omgevingsvergunningen verleend. Stikstof heeft op dit moment nog geen financiële consequenties. Het risico voor de lopende projecten wat betreft stikstof schatten wij dan ook als laag in.

In alle lopende grondexploitaties, waar we nog gronden bouw- en woonrijp moeten maken is voor de uitvraag van “het werk” onderzoek uitgevoerd of er eventuele meerkosten voor PFAS zijn. Tot op heden is geconcludeerd dat in de lopende plannen dit niet het geval is. Aangezien we extra onderzoeken moeten doen naar PFAS, zijn deze extra onderzoekskosten meegenomen in de grondexploitaties. Door de PFAS hebben we op dit moment nog geen vertraging opgelopen in de lopende plannen dus de financiële consequenties zijn laag. Het risico voor de lopende projecten wat betreft PFAS schatten wij dan ook als laag in.

Bij toekomstige grondexploitaties houden we zekerheidshalve in onze exploitatieopzetten wel rekening mee met meerkosten voor onderzoeken naar stikstof/PFAS, meerkosten voor het bouw- en woonrijp maken en eventuele vertraagde fasering voor de gronduitgifte. Zodat we, mochten er meerkosten komen en een vertraagde gronduitgifte zijn, deze ingecalculeerd zijn. Mocht het uiteindelijk meevallen dan heeft dit een positief effect op de grondexploitatie. Het risico voor toekomstige projecten schatten we laag in.

Momenteel is de wereld nog steeds in de ban van het Coronavirus, al lijkt het einde in zicht. Tot op heden heeft Corona geen economische consequenties gehad op de grondexploitaties. Of dit zo blijft is nu nog moeilijk in te schatten, maar we moeten wel rekening houden met een mogelijke economische crisis. Of deze crisis ook de grondexploitaties treft is moeilijk in te schatten. Tot op heden hebben we bij de grondverkoop nog geen last van Corona, hoe dit zich de komende jaren gaat ontwikkelen is nog onduidelijk zodat het effect op de grondexploitatie lastig in te schatten is. Het risico voor toekomstige projecten schatten we dan vooralsnog ook laag in.

Financiële indicatie risico-inventarisatie en -kwantificering

Terug naar navigatie - Financiële indicatie risico-inventarisatie en -kwantificering

De omvang van de geïnventariseerde risico’s beweegt zich tussen een bedrag van € 714.000,- en een bedrag van € 1.541.000,- (zie kolom c). Indien alle risico’s zich tegelijk zouden voordoen, gaat het gemiddeld dus om een bedrag van € 1.127.000,-. Maar de kans hierop is niet erg groot. Uitgaande van de gemiddelde omvang en de geraamde ‘kansen’ bedraagt het totaal aan de nu geïnventariseerde risico’s een aanzienlijk lager bedrag: gemiddeld € 461.000,-, waarvan een deel incidenteel (€ 251.000,-) en een deel structureel (€ 210.000,-).
Overigens suggereren deze bedragen een nauwkeurigheid die zich absoluut niet voordoet; het is de toevallige uitkomst van een kansberekening en niet een met zekerheid te voorspellen uitkomst. In onderstaande tabel is een financiële indicatie opgenomen van de omvang van het risico door de kans te vermenigvuldigen met het gemiddelde effect en is aangegeven of het risico van incidentele dan wel structurele aard is.

nr. omschrijving geraamde kans gemiddeld kans x effect kans x effect
omvang * effect incidenteel structureel
(bedragen x € 1.000,- 25% 50% 75% (c : 2) (d,e of f x g) (d,e of f x g)
(a) (b) (c) (d) (e) (f) (g) (h) (i)
1 Wachtgelden wethouders 60-180 x 120 30
2 Gevolgen coronavirus pm x pm pm
3 Nieuw verdeelmodel gemeentefonds 78-242 x 160 40
4 Personeelsvoorzieningen 25-55 x 40 30
5 Risico’s eigendommen 15-25 x 20 15
6 Gevolgen waardering activa 100-500 x 300 75
7 Informatiebeveiliging en privacy 30-30 x 30 8
8 Gladheidbestrijding 25-25 x 25 13
9 Beheerkosten wegen KBP 99-99 x 99 74
10 Beheerkosten groen KBP 77-77 x 77 58
11 Natuurplagen 120-150 x 135 68
12 Uitvoering loonkostensubsidie pm x pm pm
13 Wet maatschappelijke ondersteuning pm x pm pm
14 Invoering woonplaatsbeginsel pm x pm pm
15 Start exploitatie MFA-Hapert 50-100 x 75 38
16 Afvalverwijdering Attero pm x pm pm
17 Grondexploitatie 0-0 x
18 Actualisatie winstuitnames grond-exploitatie 35-58 x 46 12
19 Gevolgen Stikstofbesluit / PFAS / Corona grondexploitaties pm x pm pm
Ondergrens risico’s 714
Bovengrens risico’s 1.541
Totaal gemiddelde risico’s 1.127
Totaal na kansberekening 251 210

Weerstandsvermogen

Terug naar navigatie - Weerstandsvermogen

Overigens suggereren deze bedragen een nauwkeurigheid die zich absoluut niet voordoet; het is de toevallige uitkomst van een kansberekening en niet een met zekerheid te voorspellen uitkomst. Ten aanzien van de geraamde stand van de algemene reserve willen wij -met nadruk- vermelden dat het vooralsnog geprognosticeerde resultaten betreffen. Met name de vertraging van de verkoop van gemeentelijke bouwgrond kan de winstpotentie van de grondexploitatie (en dus de winstuitnames ten gunste van de algemene reserve) nadelig beïnvloeden. Daadwerkelijke bestedingsvoorstellen moeten steeds beoordeeld worden aan de hand van werkelijk gerealiseerde resultaten. In de vastgestelde nota weerstandsvermogen en risicomanagement is bepaald dat bestedingsvoorstellen ten laste van de algemene reserve slechts zijn aan te bevelen, wanneer er middelen resteren boven de omvang van de risicoprofielen. 

In onderstaand tabel wordt de prognose van de omvang van het weerstandsvermogen (algemene reserve) weergegeven:

(bedragen x € 1.000,-) rekening 2020 begroting 2021 begroting 2022 begroting 2023 begroting 2024 begroting 2025
a. ijzeren voorraad 1.000
b. noodzakelijke omvang (voldoende) 606 1.578 1.578 1.578 1.578 1.578
c. totaal noodzakelijke omvang (weerstandsvermogen) 1.606 1.578 1.578 1.578 1.578 1.578
d. geïnventariseerde risico's (gemiddeld) 563 461 461 461 461 461
e. stand algemene reserve begin van het jaar 9.690 9.350 11.016 12.518 6.076 6.587
f. stand algemene reserve eind van het jaar 9.350 11.016 12.518 6.076 6.587 7.117
g. algemene reserve (vrije ruimte eind van het jaar): f - c 7.744 9.438 10.940 4.498 5.009 5.539
h. ratio algemene reserve eind van het jaar f / c 5,82 6,98 7,93 3,85 4,17 4,51
i. betekenis uitstekend uitstekend uitstekend uitstekend uitstekend uitstekend

Kengetallen en de signaleringswaarde

Terug naar navigatie - Kengetallen en de signaleringswaarde

In het streven naar meer transparantie, verbetering van het inzicht in de financiële positie en voor vergelijking met andere gemeenten worden zowel in de begroting als jaarrekening een set van financiële kengetallen opgenomen. Kengetallen zijn getallen die de verhouding uitdrukken tussen bepaalde onderdelen van de begroting of de balans. Deze kengetallen beogen, in onderlinge samenhang, een bijdrage te leveren aan het inzicht in de financiële positie van de gemeente. Juist de onderlinge samenhang en het verloop gedurende meerdere jaren biedt het verlangde inzicht. Daarom is niet zinvol om op basis van één enkel kengetal conclusies te trekken.

De kengetallen zijn primair bedoeld als instrument voor de raad en worden niet gebruikt als extra normeringsinstrument in het kader van het financieel toezicht door de provincies of het Rijk. De gezamenlijke provinciale toezichthouders hebben echter geconstateerd dat het financiële beeld dat uit de kengetallen naar voren komt, voor de toezichthouder ook belangrijk is voor het inzicht in de financiële positie van de gemeente. 

Om een beeld te geven hoe de financiële positie van gemeenten zich ontwikkelt, zijn door VNG de kengetallen onderverdeeld naar 3 risico categorieën (zie onderstaand tabel). In het algemeen is categorie A minder risicovol dan categorie B en B weer minder risicovol dan C. Dit is ook het geval bij grondexploitatie maar in geval van een hoge netto schuldquote kan een hoge grondexploitatie juist een mogelijkheid bieden om een hoge netto schuldquote te verlagen. Bij de belastingcapaciteit worden de belastingen per gemeente vergeleken met het landelijk gemiddelde. Kleiner dan 100% betekent dat de gemeente nog beneden het landelijk gemiddelde zit.

Kengetallen: landelijke risico profielen categorie categorie categorie
A B C
1 A. netto schuldquote < 90% van 90% t/m 130% > 130%
1 B. netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen < 90% van 90% t/m 130% > 130%
2. solvabiliteitsrisico > 50% van 20% t/m 50% < 20%
3. grondexploitatie < 20% van 20% t/m 35% > 35%
4. structurele exploitatieruimte >= 0% 0% < 0%
5. belastingcapaciteit < 100% van 100% t/m 105% > 105%

Financiële kengetallen

Terug naar navigatie - Financiële kengetallen

Om de kengetallen te kunnen duiden is per kengetal een omschrijving opgenomen.

1A. Netto schuldquote
De netto schuld weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van de gemeente ten opzichte van de eigen middelen. Het geeft een indicatie in welke mate de rentelasten en aflossingen op de exploitatie drukken. De netto schuldquote geeft aan of de gemeente investeringsruimte heeft of juist op zijn tellen moet passen. Daarnaast zegt het kengetal ook wat over de flexibiliteit van de begroting. Hoe hoger de schuld is, hoe meer kapitaallasten (rente en aflossing) er zijn waardoor een begroting minder flexibel wordt. Hoe hoger de schuld, hoe hoger de netto schuldquote.

1B. Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen
Omdat bij leningen er onzekerheid kan bestaan of ze allemaal terug worden betaald, wordt bij de berekening van de netto schuldquote onderscheid gemaakt door het kengetal te berekenen, zowel inclusief als exclusief de doorgeleende gelden. Op die manier wordt duidelijk wat het aandeel van de verstrekte leningen in de exploitatie is en ook wat dat betekent voor de schuldenlast.

De wijze waarop de netto schuldquote gecorrigeerd voor de doorgeleende gelden wordt berekend is gelijk aan de netto schuldquote, met dien verstande dat bij de financiële activa ook alle verstrekte leningen worden opgenomen.

De stijging van 2022 en volgende jaren wordt met name veroorzaakt door de cumulatieve doorwerking van de voorgenomen financieringen van de investeringen vanuit het meerjarenprogramma. in 2020 hebben we hier op voorgesorteerd door een vaste geldlening af te sluiten van € 20.000.000,- tegen een rentepercentage van 0,442%. De rentelasten van de schulden zijn volledig verdisconteerd in de meerjarenraming.  We mogen op grond van het BBV tot maximaal de kasgeldlimiet met kort geld financieren. We houden er daarom rekening mee dat vanaf ultimo 2022 aanvullende financiering moet worden opgenomen. Anderzijds daalt het kengetal na 2022 ook weer als gevolg van de reguliere aflossingen. De netto schuldquote gecorrigeerd voor alle leningen laat eenzelfde ontwikkeling zien.  Overigens hoeft een hoge schuld niet te leiden tot een nadelig effect op de financiële positie. De toelichting hierop is verwerkt in de ‘conclusie houdbare financiële positie’.

In onderstaande grafieken worden de kengetallen van de netto-schuldquote weergegeven:

 

2. De solvabiliteitsratio
Dit kengetal geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Onder de solvabiliteitsratio wordt verstaan het eigen vermogen als percentage van het balanstotaal. Het eigen vermogen van een gemeente bestaat volgens artikel 42 BBV uit de reserves (zowel de algemene reserve als de bestemmingsreserves) en het resultaat uit het overzicht van baten en lasten.

Indien er sprake is van een forse schuld én veel eigen vermogen (het totaal van de algemene en de bestemmingsreserves), hoeft een hoge schuld geen probleem te zijn voor de financiële positie. Daar is bijvoorbeeld sprake van indien een lening is aangegaan omdat het eigen vermogen niet liquide is (omdat het vast zit in bijvoorbeeld een gemeentehuis of dat er andere investeringen mee zijn gefinancierd). Hoe hoger de solvabiliteitsratio, hoe groter de weerbaarheid van de gemeente. De mate van weerbaarheid geeft in combinatie met de andere kengetallen een indicatie over de financiële positie van de gemeente.

Voor de solvabiliteitsratio geldt: hoe hoger de solvabiliteitsratio, hoe groter de weerbaarheid van de gemeente. Een solvabiliteit van 100% zou inhouden dat de gemeente geen schulden heeft. De solvabiliteitsratio bevindt zich normaal gesproken in categorie B (tussen 20% en 50%). 

3. Kengetal grondexploitatie
Het kengetal grondexploitatie geeft aan hoe groot de grondpositie (boekwaarde) is ten opzichte van de jaarlijkse baten. Staat de grond tegen een te hoge waarde op de balans en moet die worden afgewaardeerd dan leidt dit tot een lager eigen vermogen en dus een lagere solvabiliteitsratio. De accountant beoordeelt ieder jaar of de gronden tegen de actuele waarde op de balans zijn opgenomen en of een eventueel gevormde voorziening van voldoende omvang is. Wanneer de waarde van de grond laag is, loopt de gemeente relatief weinig risico op de exploitatie maar is er relatief weinig waarde om de schuld te kunnen verlagen uit grondverkopen.

Om te kunnen beoordelen of de gemeente goed scoort met haar grondexploitaties, moeten ook afzetprognoses en getroffen voorzieningen beoordeeld worden. Om de risico’s van grondexploitaties zoveel mogelijk beheersbaar te houden worden, daar waar noodzakelijk, driemaal per jaar de grondexploitatieberekeningen van de diverse grondexploitaties bijgesteld. Eventuele verliezen worden hiermee tijdig inzichtelijk gemaakt waardoor passende maatregelen kunnen worden getroffen. Onze accountant beoordeelt deze vanuit zijn verantwoordelijkheid.

Voor de berekening van het kengetal grondexploitatie worden bouwgronden in exploitatie gedeeld door de totale baten (exclusief de mutaties reserves) en uitgedrukt in een percentage. Als voor het (verwachte) tekort in de grondexploitatie een verliesvoorziening is gevormd, wordt het saldo hiervan in mindering gebracht op de boekwaarde van de gronden.

In onderstaande grafieken worden de kengetallen van de solvabiliteit en van de grondexploitatie weergegeven:

4. Structurele exploitatieruimte
Voor de berekening van het kengetal structurele exploitatieruimte wordt het saldo van de structurele baten en lasten en het saldo van de structurele onttrekkingen en toevoegingen aan de reserves gedeeld door de totale baten (exclusief de mutaties reserves) en uitgedrukt in een percentage.

Voor de beoordeling van de financiële positie is het ook van belang te kijken naar de structurele baten en structurele lasten. Structurele baten zijn bijvoorbeeld de algemene uitkering uit het gemeentefonds en de opbrengsten uit de onroerendezaakbelasting. Dit kengetal geeft aan hoe groot de structurele exploitatieruimte is, doordat wordt gekeken naar de structurele baten en structurele lasten en deze worden vergeleken met de totale baten. Een positief percentage betekent dat de structurele baten toereikend zijn om de structurele lasten (waaronder de rente en aflossing van leningen) te dekken.

De relevantie van dit kengetal voor de beoordeling van de financiële positie schuilt erin dat het van belang is om te weten welke structurele ruimte de gemeente heeft om de eigen lasten te dragen, of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig is. De kengetallen moeten daarbij in samenhang worden bezien. Wanneer bijvoorbeeld de grondexploitatie er niet toe bijdraagt om de schuldpositie te verminderen en de structurele exploitatie ruimte negatief is, geeft het kengetal belastingcapaciteit inzicht in de mogelijkheid tot hogere baten.

De structurele exploitatieruimte wordt bepaald door het saldo van de structurele baten en lasten en het saldo van de structurele onttrekkingen en toevoegingen aan reserves te delen door de totale baten en dit uit te drukken in een percentage.

De structurele exploitatieruimte bevindt zich in de jaren 2021 – 2025 tussen 1,76% en 10,63%, waarmee het zich structureel in categorie A bevindt. Dit geeft aan dat de structurele baten toereikend zijn om de structurele lasten te dekken. In andere woorden: er is nog wat ruimte om een mogelijke stijging van de structurele lasten te dekken of een daling van de structurele baten op te vangen.

5. Belastingcapaciteit: Woonlasten meerpersoonshuishouden
De ruimte die een gemeente heeft om zijn belastingen te verhogen, wordt vaak gerelateerd aan de totale woonlasten. Het COELO publiceert deze lasten ieder jaar in de Atlas van de lokale lasten. Onder de woonlasten worden verstaan de onroerende zaakbelastingen, rioolheffing en afvalstoffenheffing voor een woning met gemiddelde WOZ-waarde in de gemeente. De belastingcapaciteit van gemeenten wordt daarom berekend door de totale woonlasten van een meerpersoonshuishouden (van 4 personen) in jaar t te vergelijken met het landelijk gemiddelde in jaar t-1 en uit te drukken in een percentage.
De belastingcapaciteit geeft inzicht hoe de belastingdruk zich verhoudt ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Het geeft weer wat de ruimte is om belastingen te verhogen ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Het is de bevoegdheid van uw raad met welke omvang de belastingen worden verhoogd. 

In onderstaande grafieken worden de kengetallen van de structurele exploitatieruimte en van de belastingcapaciteit weergegeven:

Voor de beoordeling van de financiële positie is het belangrijk dat zowel naar de (geprognosticeerde) balans als naar de exploitatie wordt gekeken. De kengetallen netto schuldquote en netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen, solvabiliteitsratio en grondexploitatie hebben betrekking op de (geprognosticeerde) balans. De kengetallen structurele exploitatieruimte en belastingcapaciteit brengen tot uitdrukking of onze gemeente over voldoende structurele baten beschikt en welke mogelijkheid de gemeente heeft om de structurele baten op korte termijn te vergroten.

Hierna wordt in een stoplichtmodel de samenhang van de gepresenteerde kengetallen weergegeven. Het toont aan dat alleen de netto schuldquote in 2022 en 2023 de genormeerde grens overschreden wordt. Door de correctie van de verstrekte leningen wordt dit echter weer te niet gedaan.

Kengetallen: streef- Verloop van de kengetallen
waarde Rekening 2020 Begroting 2021 Begroting 2022 Begroting 2023 Begroting 2024 Begroting 2025
1A. netto schuldquote < 90% 69% 74% 129% 128% 120% 112%
1B. netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen < 90% 66% 71% 126% 125% 116% 108%
2. solvabiliteitsrisico > 50% 25% 25% 24% 25% 29% 31%
3. grondexploitatie < 20% 3% 4% 3% 7% 5% 2%
4. structurele exploitatieruimte >= 0% 4,00% 2,66% 1,77% 10,63% 7,47% 1,36%
5. belastingcapaciteit < 100% 93% 96% 91% 91% 91% 91%

Conclusie houdbare financiële positie

Terug naar navigatie - Conclusie houdbare financiële positie

In onze optiek spreken we over houdbaar als de gemeente in het geval van ‘slecht weer’ nog voldoende vrij beschikbare middelen heeft om de klappen op te kunnen vangen. Dit betekent dat de gemeente voldoende flexibel moet zijn en dus niet teveel verplichtingen (financieel, juridisch en bestuurlijk) moet hebben die meerjarig (langer dan vijf jaar) vastliggen. Deze verplichtingen zijn bijvoorbeeld onze schuldverplichtingen (rente en aflossing van opgenomen geldleningen), kapitaallasten, apparaatslasten en beheer- en onderhoudslasten.
De gemeente moet wendbaar zijn om snel te kunnen reageren. Enerzijds organisatorisch wendbaar om goed in te kunnen spelen op uitbreiding of inkrimping van het takenpakket. Anderzijds financieel wendbaar door de begroting op orde te hebben en een financiële buffer aan te houden. Flexibiliteit en weerbaarheid zijn in dit verband belangrijke termen en vormen de pijlers voor het spelregelkader.

Op basis van de uitkomsten van bovenstaande kengetallen is de financiële positie van de gemeente Bladel in 2022, weerbaar en voldoende robuust. Er zijn voldoende buffers (zowel structureel als incidenteel) voorhanden om de risico´s, als deze zich voordoen, en andere onvoorziene tegenvallers op te kunnen vangen. Daarnaast worden de incidentele lasten volledig gedekt door de incidentele baten, zodat de begroting 2022 in materieel opzicht meer dan sluitend is.

Normaal ligt de netto schuldquote van een gemeente tussen 0% en 90%. Als de netto schuldquote tussen 90% en 130% ligt, is de gemeenteschuld hoog. Als de netto schuldquote boven de 130% uitkomt, dan bevindt de gemeente zich in de gevarenzone. Het zijn vooralsnog grove vuistregels. Voor een genuanceerder beeld van de schuldpositie moet ook worden gekeken naar de voorraad bouwgronden, de uitgeleende gelden en de omvang van de beschikbare dekkingsreserves. De reserve kapitaallasten investeringen dient ook in relatie met de netto schuldquote bezien te worden, omdat deze reserve in beginsel budgettair in mindering gebracht wordt op de betreffende kapitaallasten.

De schuld van de gemeente neemt de komende jaren af, als gevolg van de doorwerking van het hoge investeringsniveau vanuit het meerjarenprogramma in combinatie met de doorwerking van reguliere aflossingen. In de meerjarenraming is sprake van een maximale financieringsbehoefte, terwijl het investeringstempo – en daarmee de financieringsbehoefte – feitelijk altijd lager zal liggen dan geraamd. Inhoudelijke keuzes op de investeringsplanning zullen van invloed zijn op de schuldpositie. In de meerjarenraming is overigens rekening gehouden met de extra rentelasten als gevolg van de aan te trekken financieringen.

De verstrekte leningen (financiële activa art 36 lid b, c van het BBV) betreffen de verstrekte startersleningen en de aandelen van de BNG en Brabant Water. De schuldenlast die feitelijk op de exploitatie drukt is lager omdat in de netto schuldenquote ook de in verleden doorgeleende startersleningen zijn verwerkt. Onze schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen is 126%. Wij komen daarmee in 2022 in de hoge zone. Vanwege de lage renteniveau's van dit moment leidt dit overigens niet tot hoge rentelasten. Rentelasten die volledig opgevangen zijn in de meerjarenraming. Gemeenten met veel grond hebben meer schulden en dus een hogere schuldquote. Dit geldt voor een deel ook voor de gemeente Bladel. Wij hebben beperkte grondposities voor woningbouw. Voor die gronden (met name voor plan Lange Trekken) hebben we (beperkte) schulden gemaakt. De rente over deze schuld drukt, behoudens eventueel strategische grond verwervingen, niet direct op de begroting, maar dient te worden opgevangen binnen de grondexploitaties. Met de opbrengsten uit de verkoop van de grond, dient zowel de rente als de aflossing van de schuld te worden betaald.

Het risicoprofiel van de gemeente ten aanzien van grondexploitaties is vrij beperkt. Dit vertaald zich in een laag kengetal grondexploitatie. Het kengetal grondexploitatie neemt meerjarig verder af. Dit wordt veroorzaakt door de voortschrijdende realisatie van de grondexploitaties (met name door verwachte grondverkopen).

De solvabiliteitsratio van 24% in 2022 begeeft zich binnen de noodzakelijke omvang en is meer dan voldoende om onze risico’s op te kunnen vangen. Doorkijk naar de toekomst laat daarnaast zien dat de solvabiliteitsratio zeer waarschijnlijk zal gaan verbeteren. Dit wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de teller-noemereffect. De prognose van het eigen vermogen stijgt door o.a. bestemming van de positieve begrotingsresultaten  terwijl de prognose van de balanstotalen zal dalen. Onze eigen vastgestelde norm (de ratio weerstandsvermogen) zal echter gedurende de gehele planperiode meer dan voldoende zijn om onze risico’s op te kunnen vangen. De structurele exploitatie ruimte van 1,77% in 2022 geeft aan dat onze structurele lasten allemaal vast liggen in structurele baten.

Overall kunnen we concluderen dat op basis van de kengetallen 2022 in relatie met een verwachte stijging van ons weerstandsratio naar 4,51 in 2025 de financiële positie voldoende is. Ook de belastingcapaciteit ligt onder het landelijk gemiddelde.

Ten slotte merken wij op dat de stuurbaarheid op de kengetallen betrekkelijk is. De financiële kengetallen hebben vooralsnog een indicatieve waarde. Het is dus, met andere woorden, niet mogelijk om een individueel kengetal te gebruiken voor de beoordeling van de financiële positie. De kengetallen moeten altijd in samenhang worden beoordeeld, omdat ze alleen gezamenlijk en in hun onderlinge verhouding een goed beeld kunnen geven van de financiële positie van de gemeente.