Algemene dekkingsmiddelen en onvoorzien

Algemene dekkingsmiddelen en onvoorzien

Gemeente Bladel voert een solide financieel beleid. We doen geen uitgaven die we niet kunnen betalen en kiezen voor goede lange termijn investeringen. Door realistisch te begroten en regelmatig te rapporteren, houden we grip op onze financiën. We spannen ons in om de gemeentelijke lasten voor onze inwoners op een laag niveau te houden.

Beoogd maatschappelijk effect
Voorzieningenniveau in evenwicht met beschikbare middelen.

Voorzieningenniveau in evenwicht met beschikbare middelen.

De gemeente Bladel voert een solide financieel beleid. We streven er naar dat over de verschillende begrotingsjaren sprake is van een evenwichtig financieel beleid en voldoende weerstandsvermogen in relatie tot risico’s.

Doelstellingen
- Een reëel en structureel sluitende begroting.
- Belastingen en andere baten heffen om ambities waar te maken.
- Een goede risicobeheersing en een weerstandsvermogen van voldoende omvang om de risico’s op te kunnen vangen.
- Verkenning solide financiële basis voor komende jaren.

Wat gaan we doen?

Meerjarenprogramma

Onderstaand worden de (nieuwe) wensen voor de planperiode 2021-2025 opgesomd en toegelicht.

A/B omschrijving investeringen budgettaire lasten / baten
(bedragen x € 1.000,-) 2021 2022 2023 2024 2025 2021 2022 2023 2024 2025
A algemene uitkering: stelpost herverdeling gemeentefonds -236 -478 -725
A algemene uitkering: stelpost jeugdzorg 2022 t/m 2025 1.157 693 637 566
A onderuitputting kapitaallasten 548 544 119 216
totaal lasten algemene dekkingsmiddelen 1.705 1.001 278 57
(- = nadeel en + = voordeel)

Toelichting meerjarenprogramma

Algemene uitkering
De uitkering uit het gemeentefonds is een bepalende factor in de lokale financiën. Een belangrijk onderdeel van de herziening van de financiële verhoudingen is de herijking van het gemeentefonds. Op 3 februari jl. zijn de voorlopige uitkomsten en de achterliggende berekening van de herverdeling van het gemeentefonds gepubliceerd op de website van de rijksoverheid. De Raad voor het Openbaar Bestuur heeft inmiddels enkele kritische kanttekeningen geplaatst bij de uitlegbaarheid van de uitkomsten en om meer toelichting op de keuzes en effecten gevraagd. Daarnaast heeft de Tweede Kamer naar aanleiding van de publicatie vragen gesteld en hebben de fondsbeheerders veel reacties en vragen gekregen van gemeenten. Of de voorgenomen herijking van het gemeentefonds in deze vorm doorgaat is daarmee nog lang niet zeker.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft op 12 augustus jl, mede namens de staatssecretaris van Financiën, een aangepast verdeelvoorstel voorgelegd aan de Raad voor het Openbaar bestuur (ROB). De vervolgonderzoeken rondom de herijking van het gemeentefonds zijn afgerond en leiden tot een herzien verdeelvoorstel. Volgens de minister van BZK is de herziene verdeling beter dan het eerdere voorstel. Op basis van het aangepaste verdeelstelsel bedraagt het nadelige herverdeeleffect voor onze gemeente € 49,- per inwoner. In het kader van behoedzaamheid hebben vooralsnog 75% van de gepresenteerde herverdeeleffecten opgenomen. In de meerjarenraming 2022-2025 hadden wij reeds rekening gehouden met een nadelig herverdeeleffect van € 100.000,- vanaf 2023.  Voor een specificatie verwijzen wij u naar bijlage 2.

De besluitvorming over de invoering van de nieuwe verdeling wordt ook overgelaten aan het volgende kabinet en daardoor is de voorgestelde invoeringsdatum verschoven naar 1 januari 2023. De formatie van een nieuw kabinet verloopt ook niet zo (voor)spoedig als gehoopt. De kans dat er in de komende septembercirculaire duidelijkheid wordt gegeven over de herijking van het gemeentefonds en verruiming van de omvang van het gemeentefonds achten wij zeer klein. Wanneer er na het publiceren van de septembercirculaire, maar in ieder geval voor vaststelling van de begroting 2022, toch officiële berichtgeving (inclusief bijbehorende cijfermatige uitwerking) komt van het ministerie van BZK over het gemeentefonds, dan zullen wij u hiervan tijdig in kennis stellen zodat u dit kunt betrekken bij uw besluitvorming over de begroting 2022.

Begin juni 2021 heeft het huidige kabinet, mede naar aanleiding van de conclusie van de arbitragecommissie Jeugdzorg, besloten om extra middelen toe te kennen voor 2022 als compensatie van de tekorten in de jeugdzorg. Deze middelen ad € 1.157.000,- hebben wij als structureel en reëel aangemerkt. Ten laste hiervan hebben wij € 600.000,- geoormerkt voor de dekking van de hogere lasten voor jeugdzorg. Omdat de kosten voor jeugdzorg de afgelopen jaren doorlopend zijn gestegen zijn onze budgetten reeds aangepast aan de stijgende vraag. Het is daarom onzes inziens niet nodig om bóvenop die hogere jeugduitgaven dan de volledige extra uitkering te leggen.
Vanuit de koepels (IPO en VNG) is erop aangedrongen dat gemeenten in hun meerjarenraming wel alvast rekening kunnen houden met extra structurele middelen vooruitlopend op de definitieve besluitvorming door het nieuwe kabinet. In gezamenlijkheid hebben Rijk, IPO en VNG hierover op 9 juli jl. afspraken gemaakt. Concreet betekenen de afspraken dat gemeenten in hun meerjarenraming voor de jaren 2023 tot en met 2025 rekening mogen houden met 75% van de bedragen van wat de arbitragecommissie jeugdzorg berekent. Ook voor de jaren 2023 t/m 2025 hebben wij een deel hiervan geoormerkt voor de dekking van de hogere lasten voor jeugdzorg (zie hoofdtaakveld sociaal domein). Voor een specificatie verwijzen wij u naar bijlage 2.

Onderuitputting kapitaallasten
In de raadsvergadering van 25 maart 2021 heeft uw raad de nota “activeren, waarderen en afschrijven van vaste activa 2021” vastgesteld. In deze nota is voor het afschrijvingsbeleid aansluiting gezocht bij het “Gemeenschappelijk Financieel Toezichtkader (GTK)” van de provincie. Hierin is vastgelegd hoe Gedeputeerde Staten invulling geven aan het financieel toezicht met name wat de onderuitputting van de kapitaallasten betreft inzake nieuwe investeringen.

Bij activering van een investering zal voor de toezichthouder in redelijkheid vast moeten staan, dat de gemeente in staat is om de volle jaarlasten binnen een structureel sluitende begroting van t+0 (eventueel op termijn binnen de meerjarenraming) te kunnen opvangen. In aansluiting op het toezichtkader van de provincie worden de kapitaallasten geraamd met ingang van 1 januari van het jaar waarin de investeringskredieten beschikbaar worden gesteld (t+0). Tevens wordt in het eerste planjaar (t+0) eenmalige onderuitputting geraamd op basis van dezelfde structurele (afschrijvings- en rente) parameters (zie overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten).

Wat mag het kosten?

a. Lokale heffingen
Bladel kent de onroerende zaakbelastingen als heffing die aan de algemene middelen worden toegevoegd. Hoewel we de toeristenbelasting ook als algemeen dekkingsmiddel beschouwen is deze opbrengst (op grond van het BBV) echter verantwoord onder hoofdtaakveld Economie.

Voor een nadere toelichting verwijzen we naar de paragraaf lokale heffingen.

- Onroerende zaakbelastingen
Voor de OZB zijn de tarieven in eerste aanleg verlaagd om de waardeontwikkeling te compenseren. Daarna worden ze aangepast aan de (nagecalculeerde) inflatiecorrectie van 1,40%. Jaarlijks houden we ook rekening met de autonome groei van de opbrengsten als gevolg van ver- en nieuwbouw van woningen en bedrijfsruimten.  De kosten voor de uitvoering van de Wet waardering Onroerende Zaken (WOZ) hebben in hoofdzaak betrekking op taxatie- en ambtelijke kosten. De lasten voor heffing en invordering hebben betrekking op toerekening van ambtelijke kosten.

b. Uitkeringen gemeentefonds
Het gemeentefonds is specifiek opgedeeld in een algemene uitkering en enkele doel- en integratie-uitkeringen. Voor deze uitkeringen geldt dat de gemeente vrij is ze in te zetten.

- Algemene uitkering
De algemene uitkering uit het gemeentefonds is de grootste inkomstenbron van de gemeente. De algemene uitkering wordt door het rijk op grond van diverse verdeelsleutels (maatstaven) toegerekend aan de gemeenten. De uit te keren bedragen worden in circulaires bekendgemaakt. De algemene uitkering is doorgerekend op basis van de bijgestelde uitgangspunten met betrekking tot woningbouw, inwonersaantallen, uitkeringsgerechtigden enz. Hierbij zijn de financiële effecten tot en met de meicirculaire 2021 meegenomen. 

Begin juni 2021 heeft het huidige kabinet, mede naar aanleiding van de conclusie van de arbitragecommissie Jeugdzorg, besloten om extra middelen toe te kennen voor 2022 als compensatie van de tekorten in de jeugdzorg. Omdat gemeenten duidelijkheid nodig hebben ten aanzien van het opstellen van hun begroting 2022 heeft de Minister van BZK in de brief van 29 juni 2021 de gemeenten geïnformeerd over de wijze van verdeling van de extra middelen. Na consultatie met de VNG is door het Ministerie van BZK besloten om de verdeling volledig via de algemene uitkering uit het gemeentefonds te laten plaatsvinden. Voor Bladel gaat het om een indicatief bedrag in 2022 van € 1.157.000,-. In deze begroting hebben we hiervan € 600.000,- afgezonderd voor de dekking van de hogere lasten voor jeugd en het resterende deel ad € 557.000,- ten gunste van het begrotingsresultaat gebracht. Wij hebben hiervoor gekozen omdat de kosten voor jeugdzorg de afgelopen jaren doorlopend zijn gestegen en onze budgetten reeds aangepast zijn aan de stijgende vraag. Het is daarom onzes inziens niet nodig om bóvenop die hogere jeugduitgaven dan de volledige extra uitkering te leggen.

Besluitvorming over de extra uitkering voor de jaren ná 2022 wordt overgelaten aan het nieuwe kabinet. Bij het gereedkomen van deze begroting was die informatie nog niet bekend.  Zodra de informatie over de extra compensatie voor jeugdzorg ná 2022 beschikbaar is zullen wij uw raad hiervan per omgaande informeren, zodat u dat kunt betrekken bij de besluitvorming over voorliggende begroting. Wij gaan uit van een reële verwachting dat ook voor de jaren ná 2022 door het rijk extra structurele middelen beschikbaar gesteld zullen worden. Vanaf 2023 en verder is overigens reeds rekening gehouden met een extra uitkering van € 257.000,-. Het rijk kan onzes inziens het zwaarwegende advies van de arbitragecommissie niet zonder meer naast zich neerleggen.  Wij wachten de ontwikkelingen hierover daarom af.

De financiële effecten van de septembercirculaire 2021 zullen wij t.z.t. via een raadsvoorstel met een voorstel tot wijziging van de begroting, ter kennis brengen van uw raad, zodat u de financiële effecten daarvan alsnog kunt betrekken bij de besluitvorming over deze begroting. 

c. Dividend
De gemeente ontvangt dividend over haar kapitaalinbreng in de NV Bank voor Nederlandse Gemeenten (BNG) en Brabant Water NV. Aan de hand van de laatste jaarcijfers van deze instanties kan de navolgende raming voor 2022 worden opgemaakt. 

 

aantal aandelen waarde rendement opbrengst

NV Bank voor Nederlandse Gemeenten

62.790 156.975 81,0% 169.000
Brabant Water NV 17.706 1.771 0,0% 0

   
 d. Financiering
Het saldo van de financieringsfunctie is een correctie van de berekende rentelasten op de beleidsvelden ten opzichte van de omslagrente. De doorbelasting van rentelasten (sub e.) geschiedt, op basis van de gewijzigde BBV voorschriften, tegen het gemiddelde afgeronde rente-omslagpercentage van 0,750% (2021: 1,000%). Voor een specificatie wordt verwezen naar de paragraaf Financiering.

e. Overige algemene dekkingsmiddelen
Tot 2021 was het binnen de gemeente Bladel gebruikelijk rente te berekenen over het eigen vermogen. Hierdoor wordt een “vergoeding” berekend over het eigen vermogen (= een eigen financieringsmiddel) van de gemeente. De gemeente heeft de keuze om deze rente als baten op te nemen in de begroting – ook wel aangeduid als bespaarde rente. Of de gemeente kan ervoor kiezen deze rentevergoeding toe te voegen aan de algemene reserve. Deze systematiek creëert een fictieve rentelast en leidt naar het oordeel van de commissie BBV tot het (onnodig) opblazen van de programmalasten en gaat daarmee ten koste van de eenvoud en transparantie. Al in 2017 heeft de commissie daarom de aanbeveling gedaan om geen rente over het eigen vermogen te berekenen. In de vastgestelde "nota reserves en voorzieningen 2021" is deze aanbeveling door ons overgenomen.  Voor de reserve kapitaallasten investeringen maken we hiervoor een uitzondering, omdat naast de afschrijvingslast ook de rentelast van het betreffende activum verrekend wordt met de reserve. Het percentage van de rentetoerekening aan deze reserve (lasten) moet gebaseerd zijn op het gemiddelde rentepercentage van het vreemd vermogen. De bespaarde rente (baten) is hierop aangepast.

In 2022 wordt € 71.000,- toegevoegd aan de reserve kapitaallasten investeringen.

f. Vennootschapsbelasting
Sinds 1 januari 2016 moeten overheidsondernemingen die economische activiteiten verrichten belasting betalen over hun (fiscale) winst. Uitgangspunt van de wet is dat ieder overheidslichaam vennootschapsbelastingplichtig (Vpb) is, indien er een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal is, die deelneemt aan het economische verkeer en winst beoogt, of waarbij winst redelijkerwijs te verwachten valt.

Jaarlijks beoordelen we of de gemeentelijke activiteiten voldoen aan de hiervoor genoemde uitgangspunten. Per activiteit beoordelen we of met de uitoefening van de betreffende activiteit een onderneming in fiscaal-rechtelijke zin wordt gedreven. De meeste activiteiten komen niet door de zgn. “ondernemerspoort”. Dit komt omdat deze activiteiten geen winst genereren of doordat in fiscale zin de gemeente niet deelneemt aan het economische verkeer. Voor een drietal geclusterde werkvelden wordt in principe door de ondernemerspoort gegaan, te weten: grondexploitaties, inzameling van huishoudelijke afvalstromen en woningexploitaties.

g. Onvoorziene uitgaven en stelposten
Voor de dekking van incidentele onvoorziene, onvermijdbare en onuitstelbare uitgaven is in de begroting 2022 een bedrag van € 13.000,- opgenomen. In voorkomende gevallen worden incidentele mee- en tegenvallers ook verrekend met de algemene reserve. De stelpost loon- en prijsmutaties, alsmede de nog te verdelen rente en afschrijvingen moeten nog functioneel verbijzonderd worden. 

De begroting dient structureel en reëel sluitend te zijn. De provincie kijkt daarbij of de lasten van de investeringen gedekt kunnen worden. Dit doet zij door de lasten van de investering in het jaar van investering als structureel aan te merken. Het gemeentelijk afschrijvingsbeleid is hierop afgestemd. Voor de toelichting van de onderuitputting van de kapitaallasten wordt verwezen naar de toelichting hiervoor.

Aan de hand van de risico’s op onze openstaande vorderingen bepalen we hoe hoog de voorziening dubieuze debiteuren moet zijn. Daarbij wordt een inschatting gemaakt ten aanzien van de mate van invorderbaarheid, waarvoor een voorziening getroffen wordt. Op grond van een analyse moesten we in 2020 € 39.000,- doteren aan de voorziening dubieuze debiteuren.

Onvoorziene uitgaven en stelposten krijgt dan het navolgende verloop:

bedragen x € 1.000 s/i 2020 2021 2022 2023 2024 2025
a. onvoorziene uitgaven s   -6 -13 -13 -13 -13
b. stelpost loon- en prijsmutaties s   -3 12 35 3 3
c. door te belasten rente en afschrijvingen s   -32 -28 -28 -13

-19

d. stelpost onderuitputting kapitaallasten i     548 544 119 216
e. beschikking voorziening dubieuze debiteuren i -39          
totaal onvoorzien en stelposten   -39 -41 519 538 96 187

 
In onderstaand overzicht wordt het totaal van lasten en baten van de algemene dekkingsmiddelen opgenomen.

Bedragen Rekening Begroting Begroting Meerjarenraming
(bedragen x € 1.000,-) 2020 2021 2022 2023 2024 2025
Lasten
algemene dekkingsmiddelen n -1.185 n -653 v 49 v 73 n -291 n -146
Totaal lasten n -1.185 n -653 v 49 v 73 n -291 n -146
Baten
algemene dekkingsmiddelen v 37.981 v 38.837 v 39.906 v 39.047 v 38.559 v 38.461
Totaal baten v 37.981 v 38.837 v 39.906 v 39.047 v 38.559 v 38.461
Geraamd saldo van baten en lasten v 36.796 v 38.184 v 39.955 v 39.120 v 38.268 v 38.315
(- = nadeel en + = voordeel)