Lokale heffingen

Voorwoord

Het heffen van lokale belastingen en heffingen stelt de gemeente in staat om maatschappelijke voorzieningen op een evenwichtige wijze in stand te houden. Daarnaast stellen belastingen en heffingen de gemeente in staat maatschappelijke kosten door te belasten aan specifieke veroorzakers, zoals bijvoorbeeld de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. In het verlengde hiervan stelt het heffen van lokale belastingen en heffingen de gemeente in staat een sluitend meerjarenperspectief te bereiken. Aanpassing van de belastingtarieven zorgt ervoor dat de koopkracht van de gemeentelijke middelen gehandhaafd blijft.

 

Algemene uitgangspunten

Bij het heffen en invorderen van belastingen zijn we onder meer gebonden aan de:
- Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR);
- Algemene wet bestuursrecht (Awb), (inclusief de algemene beginselen van behoorlijk bestuur);
- Invorderingswet 1990;
-  Gemeentewet;
- Wet waardering onroerende zaken
- diverse Uitvoeringsbesluiten.

 

De wet geeft duidelijke kaders aan voor de heffing, invordering en kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Het maken van uitzonderingen op de regels uit de wetgeving is niet toegestaan, dit om rechtsongelijkheid voor de burger te voorkomen.

De lokale heffingen zijn een integraal onderdeel van het gemeentelijk beleid. Ze raken de burgers, bedrijven en instellingen direct in hun portemonnee. Gemeentelijke heffingen staan dan ook sterk in de politieke belangstelling. De formele vaststelling van de tarieven voor 2021 vindt plaats door het vaststellen van de belasting- en tarievenverordeningen door uw raad.

 

Deze paragraaf bevat een overzicht van de voorgestelde wijzigingen van de gemeentelijke heffingen die van invloed zijn op de begroting 2021.

 

Gemeentelijke heffingen kunnen worden onderscheiden in ongebonden heffingen en heffingen die gebonden zijn aan bepaalde leveringen en diensten van de gemeente. Ongebonden heffingen (belastingen) behoren tot de algemene dekkingsmiddelen van de gemeente. Dit betekent dat de opbrengsten van deze belastingen niet voor een specifiek en wettelijk bepaald doel maar voor alle gemeentelijke taken en voorzieningen mogen worden ingezet. In Bladel zijn dit onroerende zaakbelastingen (OZB) en toeristenbelasting.
Voor de gebonden heffingen is er wel sprake van een directe relatie tussen de heffing en de gemeentelijke taak. Onze dienstverlening dient kostendekkend te zijn. Dat vraagt om een scherpe en transparante kostentoerekening. Het profijtbeginsel, ofwel het principe waarbij de gebruiker betaalt, is hierbij richtinggevend. Het streven is 100% kostendekkendheid (bij gebonden heffingen mogen de geraamde opbrengsten niet hoger zijn dan de geraamde kosten van de gemeente voor de uitoefening van de taak). In onze gemeente gaat het om afvalstoffenheffing, rioolheffingen en leges. Ook de Bedrijven InvesteringsZone (BIZ) belasting beschouwen we als een gebonden heffing, omdat de opgelegde belastingen één-op-één doorbetaald worden aan de ondernemers (OVB) en de vertegenwoordiging van de eigenaren.

 

De tarieven over 2021 worden als volgt aangepast:

- Voor de OZB zijn de tarieven in eerste aanleg verlaagd om de waardeontwikkeling te compenseren. Daarna werd aanvankelijk voorgesteld om, naast een (nagecalculeerde) inflatiecorrectie van 2,50%, een extra verhoging toe te passen van 3,40%. Dit was onzes inziens noodzakelijk om met name de nadelige herverdeeleffecten van de herijking van het gemeentefonds gefaseerd op te kunnen vangen. Nadeel wat volledig veroorzaakt wordt door (voorgenomen) rijksbeleid. Het overkomt de gemeente waar we geen enkel invloed op hebben. De raad heeft middels een unaniem aangenomen amendement bersloten de extra OZB0verhoging voor 2021 niet te effectueren.
- Leges en tarieven worden verhoogd met de (nagecalculeerde) inflatiecorrectie (2,50%). De tarieven voor de rioolheffing, de afvalstoffenheffing en de leges zijn gebaseerd op 100% kostendekkendheid waarbij rekening is gehouden met een zo reëel mogelijke inschatting van zowel de baten- als de lastenontwikkeling binnen het meerjarenperspectief 2021-2024. Het tarief voor de rioolheffing is gebaseerd op het verbreed Gemeentelijk RioleringsPlan 2020-2025 (vGRP).

 

- Onroerende zaakbelastingen (taakvelden 0.61 en 0.62)

We heffen op grond van artikel 220 van de Gemeentewet twee directe belastingen op de onroerende zaken die binnen de gemeente liggen, de zogenaamde onroerende zaakbelastingen (OZB):
- Een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak (die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom) bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;
- Een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

De hoogte van de OZB is afgeleid van de WOZ-waarde (een promillage). Jaarlijks worden nieuwe WOZ-waarden vastgesteld. De maatstaf voor de aanslagen OZB voor het belastingjaar 2021 is de waarde in het economisch verkeer op peildatum 1 januari 2020. De Wet waardering onroerende zaken (WOZ) schrijft namelijk voor dat de gemeente een waarde vaststelt zoals die gold op 1 januari van één jaar eerder. Hiermee volgt de WOZ-waarde jaarlijks de marktontwikkelingen. Wij hebben, op basis van informatie die de Waarderingskamer (wettelijke toezichthouder op de uitvoering van de Wet WOZ) heeft verzameld, rekening gehouden met een gemiddelde waardeontwikkeling van 6,72% voor woningen. Voor de niet-woningen is de marktontwikkeling -0,12%.

De verwachte opbrengst OZB wordt als percentage van de totale WOZ-waarde van alle onroerende zaken in Bladel uitgedrukt. Dit percentage is, afhankelijk van eigenaar/gebruiker niet-woning en eigenaar woning, bepalend voor de hoogte van elke individuele aanslag OZB. Voor de OZB zijn de tarieven in eerste aanleg verlaagd om de waardeontwikkeling te compenseren. 

 

Eigenaar woning (taakveld 0.61)
In 2020 was het tarief voor woningen 0,0891% van de waarde. De eigenarenaanslag OZB voor een woning met een gemiddelde waarde van € 321.000,- bedroeg daarmee € 286,-. Met een waardeontwikkeling van 6,72% wordt de nieuwe waarde ca. € 342.000,-. Rekening houdend met de waardestijging en de voorgestelde verhoging van de OZB-opbrengsten van 2,5% komt het tarief voor 2021 uit op 0,0857%. Dit vermenigvuldigd met de nieuwe waarde van € 342.000,- leidt tot een OZB aanslag van € 293,-. Dit is een stijging van ca. 2,45%.

 

Eigenaar niet-woning (taakveld 0.62)
In 2020 was het tarief voor eigenaren van niet-woningen 0,1617% van de waarde. De eigenarenaanslag OZB voor een niet-woning met een waarde van € 321.000,- bedroeg daarmee € 519,-. Met een waardeontwikkeling van -0,12% wordt de nieuwe waarde ca. € 320.000,-. Rekening houdend met de waardedaling en de voorgestelde OZB-verhoging van 2,5% komt het tarief voor 2021 uit 0,1663%. Dit vermenigvuldigd met de nieuwe waarde van € 320.000,- leidt tot een OZB aanslag van € 532,-. Dit is een stijging van ca. 2,50%.

 

Gebruik niet-woning (taakveld 0.62)
In 2020 was het tarief voor gebruikers van niet-woningen 0,1452% van de waarde. De gebruikersaanslag OZB voor een niet-woning met een waarde van € 321.000,- bedroeg € 466,-. Met een waardeontwikkeling van -0,12% wordt de nieuwe waarde ca. € 320.000,-. Rekening houdend met de waardedaling en de voorgestelde verhoging komt het tarief voor 2021 uit 0,1494%. Dit vermenigvuldigd met de nieuwe waarde van € 320.000,- leidt tot een OZB aanslag van € 478,-. Dit is een stijging van ca. 2,57%.

 

De afwijkende stijgingspercentages bij het tarief voor de eigenaren woningen en gebruikers van niet-woningen zijn het gevolg van afrondingen in zowel de WOZ-waarde als in het te betalen bedrag aan OZB.

Voor de onroerende zaakbelasting is voor 2021 een opbrengst geraamd van € 4.458.000,-. De te verwachten meeropbrengst uit ver- en nieuwbouw en de tariefsaanpassing zijn hierin begrepen.

 

Onroerende-zaakbelasting taakveld Werkelijk2019 Begroot 2020 Begroot 2021
Eigenaar woningen 0.61 2.317.000 2.422.000 2.470.000
Eigenaar niet-woningen 0.62 996.000 1.084.000 1.089.000
Gebruiker niet-woningen 0.62 784.000 896.000 899.000
Totaal onroerende zaakbelastingen 4.097.000 4.402.000 4.458.000

- Toeristenbelasting (taakveld 3.4)

Via de exploitanten van recreatieve ondernemingen wordt een toeristenbelasting geheven van personen die in de gemeente Bladel verblijven maar niet zijn ingeschreven in de gemeentelijke basisregistratie personen. Het gaat dan om overnachtingen in hotels, pensions, campings en vakantiebungalows. De toeristenbelasting kan worden gezien als een bijdrage in de kosten van de (algemene) voorzieningen die de gemeente treft. De opbrengst van de toeristenbelasting 2021 is geraamd op basis van een verwacht aantal bezoekers per jaar. Wij zijn er hierbij vooralsnog van uitgegaan dat we in 2021 geen gevolgen van de coronavirus meer zullen ondervinden.

In het coalitie akkoord is vastgelegd dat de tarieven voor de toeristenbelasting worden afgestemd op het landelijk gemiddelde (COELO)tarief, met differentiatie tussen vaste en mobiele onderkomens. Op basis hiervan hebben wij het gemiddelde landelijke stijgingspercentage over een periode van 5 jaar bij gemeenten die ook een toeristenbelasting heffen gebruikt als vast percentage voor het bepalen van de hoogte van de tarieven voor de toeristenbelasting voor de belastingjaren tot en met 2022. Dit leidt tot een gemiddelde stijging van 3,24% per jaar. We willen dit akkoord gedurende deze raadsperiode in tact laten. Dit betekent dat eerst met ingang van 2023 de tarieven voor de toeristenbelasting extra verhoogd kunnen worden. We gaan vooralsnog uit van een gemiddelde stijging van 2,5%. Dat leidt tot een extra opbrengst van € 31.000,- vanaf 2023 en volgende jaren.

 

Toeristenbelasting taakveld Werkelijk 2019 Begroot 2020 Begroot 2021
Toeristenbelasting 3.4 1.128.000 862.000 1.177.000
Toeristenbelasting afwikkeling vorige jaren 3.4 56.000
Totaal toeristenbelasting 1.184.000 862.000 1.177.000

Gebonden heffingen

Onder de gebonden heffingen worden die vergoedingen begrepen waarvoor de gemeente een individuele dienst wordt geleverd. Zo worden leges geheven bij de afgifte van een paspoort, rijbewijs of een omgevingsvergunning. Daarnaast zijn personen/bedrijven een heffing verschuldigd voor diensten die de gemeente aan hen levert, zoals voor het gebruik van een aansluiting op de riolering, het verwerken van huisafval e.d.

Voor heffingen waarbij kosten worden verhaald, geldt dat de gemeente er geen winst op mag maken en alleen de daadwerkelijke kosten in rekening mag brengen. Dit betekent dat in een tabel wordt aangegeven wat de omvang van de lasten is, gespecificeerd per taakveld waar de kosten zijn opgenomen, met daartegenover welke baten uit de heffing worden verwacht. De kostendekkendheid is vervolgens het percentage van de geraamde lasten ten opzichte van de geraamde baten.

Ook moet in deze paragraaf worden uitgelegd welke beleidsuitgangspunten aan die berekeningen ten grond-slag liggen en hoe deze uitgangspunten worden gebruikt om de hoogte van de heffing te bepalen. Voor het berekenen van de kostendekkende tarieven houden we overigens wel rekening met de feitelijke rente, de overhead en de compensabele btw.

 

Toerekening overhead aan tarieven
Alle kosten, die direct toegerekend kunnen worden aan heffingen en leges, komen ten laste van deze producten. Voor indirecte kosten, ook wel overhead genoemd, is dit niet mogelijk. Deze indirecte kosten bestaan onder andere uit kosten voor ICT, huisvesting, inkoop, financiën e.d.. Deze kosten begroten we volgens de verslagleggingsvoorschriften (BBV) centraal in taakveld 0.4 ‘Overhead en ondersteuning organisatie’. Voor het berekenen van tarieven brengen we overigens wel een deel van de indirecte kosten ten laste van de tarieven. Dit doen we met een opslag van de overhead als percentage op de directe loonkosten.

De grondslagen voor de toerekening van overhead zijn in de Financiële verordening 2019 vastgelegd. De toerekening van overhead aan de heffingen geschiedt op basis van een opslag met een vast percentage. Het percentage wordt vastgesteld met de formule: (totale kosten overhead / omvang totale personeelslasten inclusief totale kosten overhead) x 100%. Het is een eenvoudige methode om de overhead toe te rekenen aan de doorbelaste loonkosten.

Op basis van de cijfers uit de begroting 2021 betekent dit als volgt: (€ 5.770.000 / € 9.270.000) x 100% = 62% (afgerond). Concreet betekent dit dat we bij het opstellen van de tarieven voor elke euro direct toegerekende loonkosten op het hoofdtaakveld we er 62 cent overhead erbij opnemen. Met deze opslag benaderen we dan de integrale kostprijs.

 

BTW wordt meegerekend in tarieven
De btw speelt bij de rioolheffing, de afvalstoffenheffing en de leges een speciale rol omdat wij in de kosten, die we via die heffingen verhalen, ook de te betalen btw mogen meerekenen. Die betaalde btw is weliswaar verhaalbaar via het BTW-compensatiefonds, maar omdat dat fonds wordt gevoed vanuit het gemeentefonds (uitname), is dat feitelijk een ‘sigaar uit eigen doos’. Ter compensatie daarvan loopt de btw dus mee in de kosten, die via de betreffende heffingen worden verhaald. Daardoor is in de begroting de raming van de baten ook hoger dan de raming van de corresponderende lasten.

 

- Bedrijven InvesteringsZone (BIZ) belasting (taakveld 3.3.)

Voor een toekomstbestendig koopcentrum in Bladel is behoefte aan een structurele samenwerking tussen publieke en private partijen, op basis van gelijkwaardigheid en met een gezamenlijke inzet van middelen. Zowel de ondernemers (OVB) als de vertegenwoordiging van de eigenaren hebben uitgesproken gebruik te willen maken van het instrument van de Bedrijven Investeringszone (BIZ) om te komen tot structurele financiering. Een BIZ belasting maakt het mogelijk voor ondernemers om gezamenlijk te investeren in een aantrekkelijke bedrijfsomgeving door het bevorderen van de leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander publiek belang in de openbare ruimte van het BIZ-gebied.

De navolgende opbrengsten en lasten worden geraamd:

Bedrijven InvesteringsZone (BIZ) belasting taakveld Werkelijk 2019 Begroot 2020 Begroot 2021
Bedrijven InvesteringsZone (BIZ) belasting 3.3 82.000 77.000 75.000
Doorbetaling Bedrijven InvesteringsZone (BIZ) belasting 3.3 -81.000 -75.000 -75.000
Totaal BIZ 1.000 2.000 0
(- = nadeel en + = voordeel)

- Rioolheffing (taakveld 7.2)

De aanleg en beheer van riolering is een gemeentelijke taak die zijn wettelijke basis vindt in de Wet Milieubeheer (Wm). Op grond van artikel 4.22 van de Wm is de gemeente verplicht een Gemeentelijk RioleringsPlan GRP (een beleidsmatig en strategisch plan voor de aanleg en het beheer van de gemeentelijke riolering) op te stellen. In 2020 wordt er een nieuwe Gemeentelijk Rioleringsplan voor 2020 - 2025 ter vaststelling voorgelegd aan de raad. De beleidskeuzes zijn uitgewerkt in het GRP met het bijbehorende maatregelprogramma en financiering.
Bij de rioolheffing is het beleid gericht op het in stand houden van het gemeentelijk rioleringsstelsel. Uitsluitend die percelen worden in de heffing betrokken die zijn aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel. De doelstelling is een doelmatig beleid en beheer van een goed gebruik van de riolering om daarmee de volksgezondheid te beschermen, de kwaliteit van de leefomgeving op peil te houden en de bodem, het grond- en oppervlaktewater te beschermen.

 

Verwachte kosten
De gemeente is wettelijk verplicht om haar zorgplichten voor afval-, hemel- en grondwater na te komen. In totaal verwachten we het komende jaar € 2.024.000,- aan netto kosten te maken om deze zorgplichten na te komen. Om deze kosten transparant te maken splitsen wij eerst uit op welke taakvelden wij deze kosten zullen maken. Vervolgens gaan wij in op de herkomst van de middelen voor het financieren van deze taken.

 

Verdeling kosten
Uit onderstaand overzicht blijkt dat veruit het grootste deel van de gemeentelijke netto kosten komen van het taakveld riolering (€ 1.817.000,-). De netto kosten zitten vooral in daadwerkelijk nakomen van onze gemeentelijke watertaken op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater. Daarnaast houden we rekening met de kwijtschelding van een deel van deze heffing. Voor het taakveld inkomensregelingen begroten we hiervoor € 17.000,-. Daarnaast begroten wij € 45.000,- voor het taakveld overhead. Dit zijn kosten die wij maken door de sturing en ondersteuning van medewerkers in brede zin. Deze kosten zijn gebaseerd op de hiervoor genoemde systematiek. Tot slot wordt de compensabele BTW verdisconteerd in de tarieven. Deze bedraagt € 145.000,-.

We mogen op grond van artikel 228a van de gemeentewet een rioolheffing invoeren. Deze mag maximaal kostendekkend zijn. In onze gemeente is de rioolheffing volledig kostendekkend. De benodigde inkomsten worden omgeslagen naar inwoners en bedrijven via een rioolheffingstarief. Ten aanzien van de huishoudens is met ingang van 2018 gekozen de heffingsmethodiek te differentiëren, waarbij:
- woningen een vastrecht betalen op basis van de gezinssamenstelling, en gedifferentieerd wordt naar één, twee, drie, vier, vijf en meerpersoonshuishoudens;
- agrarische objecten, dan wel combinaties van woningen met agrarische gedeelten die in hoofdzaak als niet-woning dienen te worden aangemerkt, een vastrecht betalen;
- niet-woningen op basis van een staffeling van het verbruik betalen, waarbij de staffeling begint met een verbruik tussen 0 en 50 m³.

Voor de rioolheffing is voor 2021 een opbrengst geraamd van € 2.045.000,-.  Het voordelig saldo ad € 21.000,- wordt verrekend met de voorziening egalisatie riolering.

 

Kostendekkendheid van de rioolheffing taakveld Werkelijk 2019 Begroot 2020 Begroot 2021
Kosten taakveld riolering 7.2 -1.734.000 -1.811.000 -1.841.000
Inkomsten taakveld riolering (exclusief heffingen) 7.2 37.000 24.000 24.000
Kosten taakveld inkomensregelingen 6.3 -25.000 -17.000 -17.000
Netto kosten taakveld riolering -1.722.000 -1.804.000 -1.834.000
Toe te rekenen kosten:
Overhead (inclusief rente omslag) 0.4 -44.000 -45.000 -45.000
BTW -151.000 -138.000 -145.000
Egalisatie taakveld riolering 7.2 -154.000 -37.000 -21.000
Totale kosten taakveld riolering -2.071.000 -2.024.000 -2.045.000
Opbrengst heffingen 7.2 2.071.000 2.024.000 2.045.000
Dekkingspercentage 100% 100% 100%
(- = nadeel en + = voordeel)

- Afvalstoffenheffing (taakveld 7.3)

We mogen op grond van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer voor de inzameling van het afval van huishoudens een afvalstoffenheffing invoeren. Deze mag maximaal kostendekkend zijn. In onze gemeente is de afvalstoffenheffing volledig kostendekkend.
Het beleid van de afvalstoffenheffing is gericht op het ophalen, verwerken en afvoeren van huishoudelijk afval, waarbij getracht wordt om door middel van gescheiden inzameling en gerichte voorlichting de afvalstroom zoveel mogelijk te beperken.

 

Verwachte kosten
De gemeente heeft een wettelijk inzamelingplicht voor het afval van huishoudens. In totaal verwacht de gemeente het komende jaar € 1.272.000,- aan netto kosten te maken. Om deze kosten transparant te maken, splitsen wij eerst uit op welke taakvelden deze kosten gemaakt zullen worden. Vervolgens gaan wij in op de herkomst van de middelen voor het financieren van deze taken.

 

Verdeling kosten
Uit onderstaande overzicht blijkt dat veruit het grootste deel van de gemeentelijke kosten komt van het taakveld afval (€ 1.552.000,-). De kosten zitten vooral in het daadwerkelijk inzamelen en verwerken van het huishoudelijke afval. Ook het scheiden van afval en het recyclen ervan valt hieronder. Er wordt geen bedrijfsafval ingezameld. Daarnaast ontvangen we middelen voor tariefzakken (Netersel), poorttarieven milieustraat, bijdrage Reusel-De Mierden (milieustraat), inzameling oud papier, kleding en glas, alsmede vergoeding voor PMD en zwerfafval (ca € 706.000,-). We houden ook rekening met de kwijtschelding van een deel van deze heffing. Voor het taakveld inkomensregelingen begroten we hiervoor € 14.000,-. Daarnaast begroten wij € 59.000,- voor het taakveld overhead. Dit zijn kosten die wij maken door de sturing en ondersteuning van medewerkers in brede zin. Deze kosten zijn gebaseerd op de hiervoor genoemde systematiek. Tot slot wordt de compensabele BTW verdisconteerd in de tarieven. Deze bedraagt € 301.000,-. Naar verwachting zal er € 52.000,- worden uitgegeven aan taken die onder het taakveld verkeer en wegen vallen. Zo draagt het schoonmaken en het schoonhouden van de wegen bij aan een afvalvrije openbare ruimte.
De gemeente Bladel heeft gekozen voor een diftarsysteem op basis van volume/frequentie, met als uitgangspunt "de vervuiler betaalt". In het verlengde daarvan heeft uw gemeenteraad bepaald dat de afvalstoffenheffing 100% kostendekkend moet zijn. Die heffing bestaat uit een vastrecht en een variabel recht. Het vastrecht wordt bij elke huisaansluiting in rekening gebracht, terwijl het variabel recht afhankelijk is van het volume van de minicontainers voor rest- of gftafval en het aantal keren dat die containers ter lediging worden aangeboden.
Daarmee kan elk huishouden zelf invloed uitoefenen op de uiteindelijke hoogte van de afvalstoffenheffing. Voor de afvalstoffenheffing is voor 2021 een opbrengst geraamd van € 1.277.000,-.  Het voordelig saldo ad € 5.000,- wordt verrekend met de voorziening egalisatie afvalstoffenheffing.

 

Kostendekkendheid van de afvalstoffenheffing taakveld Werkelijk 2019 Begroot 2020 Begroot 2021
Kosten taakveld afval 7.3 -1.703.000 -1.677.000 -1.552.000
Inkomsten taakveld afval (exclusief heffingen) 7.3 874.000 717.000 706.000
Kosten taakveld verkeer en vervoer 2.1 -52.000 -52.000 -52.000
Kosten taakveld inkomensregelingen 6.3 -16.000 -14.000 -14.000
Netto kosten taakveld -897.000 -1.026.000 -912.000
Toe te rekenen kosten:
Overhead (inclusief rente omslag) 0.4 -77.000 -64.000 -59.000
BTW -288.000 -311.000 -301.000
Egalisatie taakveld afval 7.3 45.000 197.000 -5.000
Totale kosten taakveld afval -1.217.000 -1.204.000 -1.277.000
Opbrengst heffingen 7.3 1.217.000 1.204.000 1.277.000
Dekkingspercentage 100% 100% 100%
(- = nadeel en + = voordeel)

- Leges (taakvelden 0.2 en 8.3

Wanneer de gemeente een bepaalde dienst levert, kunnen daarvoor leges worden geheven. De tarieven worden jaarlijks vastgesteld in de Tarieventabel behorende bij de Legesverordening. Net als riool- en afvalstoffenheffing moeten de tarieven dusdanig worden vastgesteld dat de geraamde baten niet boven de geraamde lasten uitkomen. De verschillende leges die worden geheven, worden in principe jaarlijks verhoogd met de daarvoor geldende inflatiecorrectie. Bij de vaststelling van een aantal tarieven, zoals voor reisdocumenten, moet rekening gehouden worden met van rijkswege gestelde maximumtarieven.
In artikel 229 b eerste lid van de gemeentewet is bepaald dat de legestarieven zodanig vastgesteld moeten worden dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten. De legesverordening is verdeeld in 3 titels, te weten:
Titel I Algemene dienstverlening: denk hierbij met name aan paspoorten, rijbewijzen, burgerlijke stand e.d.
Titel II Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning: denk hierbij met name aan de omgevingsvergunning
Titel III Dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn: De naamgeving van deze titel is wellicht wat verwarrend, maar hieronder vallen de evenementenvergunning, vergunning in kader Drank- en Horecawet en gebruiksvergunningen.

 

Aan de kostenonderbouwing worden steeds hogere eisen gesteld. Dit betekent dat het tarief dat voor een product wordt gerekend op een inzichtelijke manier samengesteld moet worden uit de kosten en baten zoals opgenomen in de (primitieve) begroting en daarnaast uit de beleidsinhoudelijke keuzes die gemaakt worden. Kortom: het maakt de afwegingen over de hoogte van tarieven inzichtelijk en het maakt daarmee het besluitvormingsproces helder. Niet alleen voor de gemeente zelf maar ook voor de burger.

Bij de bepaling van de legestarieven 2021 is voortgeborduurd op de legesberekening 2020. Bij de bepaling voor 2021 is de indexatie van legestarieven met 2,50% de voornaamste factor voor de tariefswijzigingen.

In zeer kort bestek laat de onderstaand tabel zien dat op basis van de gehanteerde uitgangspunten de tarieven onder titel 1 (algemene dienstverlening) een dekkingspercentage heeft van 98% (2020: 99%) en titel 2 (Wabo) een dekkingspercentage van 105% (2020: 105%). De tarieven welke zijn opgenomen onder titel 3 (EDR) laat een dekkingspercentage zien van 26% (2020: 27%), welke ruimte biedt voor verhoging naar een meer kostendekkend niveau. Dit is uiteraard een politieke keuze. Met de ‘overdekking’ van titel 2 vindt dan kruissubsidiëring plaats ter dekking van de onderdekking van titel 1 en titel 3. Het uiteindelijke resultaat is een 100% kostendekking over de gehele legestabel. 

Vanwege de voorschriften van het BBV moeten de directe en indirecte (overhead) kosten apart worden weergegeven in de overzichten van baten en lasten van de kostendekkende heffingen. Het saldo van de totale lasten minus baten -zoals gebruikt voor de tariefberekening- voor 2021 geven wij in de volgende tabel weer, eerst per Titel, daarna ook per Titel gespecificeerd:

Samenvatting kostendekkendheid directe loon- overhead compen- totale baten kosten-
kosten kosten sabele lasten dekking
bedragen x € 1.000 btw 2021
Titel I 115 128 82 5 330 322 98%
Titel II 186 475 39 45 745 781 105%
Titel III 5 28 4 1 38 10 26%
Kostendekking totale tarieventabel 306 631 125 51 1.113 1.113 100%
Titel I Algemene dienstverlening directe loon- overhead compen- totale baten kosten-
kosten kosten sabele lasten dekking
bedragen x € 1.000 btw 2021
Hoofdstuk 1 Burgerlijke stand 11 7 18 18 100%
Hoofdstuk 2 Reisdocumenten 69 34 22 1 126 131 104%
Hoofdstuk 3 Rijbewijzen 30 45 29 2 106 109 103%
Hoofdstuk 4 Verstrekkingen uit de basisregistratie personen 4 3 7 5 71%
Hoofdstuk 9 Overige publiekszaken 6 5 3 14 8 57%
Hoofdstuk 16 Kansspelen 4 1 5 2 40%
Hoofdstuk 17 Kinderopvang 6 6 6 100%
Hoofdstuk 18 Kabel en leidingen 18 12 1 31 38 123%
Hoofdstuk 19 Verkeer en vervoer 4 6 4 1 15 4 27%
Hoofdstuk 20 Diverse 1 1 2 1 50%
Kostendekking Titel I 115 128 82 5 330 322 98%
Titel II Fysieke leefomgeving / omgevingsvergunning directe loon- overhead compen- totale baten kosten-
kosten kosten sabele btw lasten dekking
bedragen x € 1.000 2021
Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning 186 459 29 45 719 768 107%
Hoofdstuk 10 Principeverzoeken 16 10 26 13 50%
Kostendekking Titel II 186 475 39 45 745 781 105%
Titel III Europese dienstenrichtlijn directe loon- overhead compen- totale baten kosten-
kosten kosten sabele btw lasten dekking
bedragen x € 1.000 2021
Hoofdstuk 1 Horeca 11 1 12 5 42%
Hoofdstuk 2 Vergunningen e.d. op basis van de APV 5 17 3 1 26 5 19%
Kostendekking Titel III 5 28 4 1 38 10 26%

Leges onderbouwing

De verwachting is dat er ten opzichte van de reeds geraamde legesopbrengsten in de begroting 2021 een extra opbrengst gerealiseerd kan worden van ca € 53.000,-. De netto extra opbrengst wordt veroorzaakt door enerzijds lagere productie/aantallen voor reisdocumenten en anderzijds hogere productie/aantallen van rijbewijzen en voor kabels en leidingen, alsmede door de inflatoire aanpassingen van de tarieven met 2,50%.

 

Verwachte kosten
De gemeente verricht diensten van uiteenlopende aard, zoals verstrekken van een exemplaar van de begroting of rekening, het voltrekken van een huwelijk, verstrekken van een paspoort of rijbewijs, in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning voor bijvoorbeeld bouw, sloop of horeca en dergelijke. In totaal verwachten we in 2021 € 1.113.000,- aan kosten te maken om deze diensten te kunnen verrichten. Om deze kosten transparant te maken splitsen wij eerst uit op welke taakvelden wij deze kosten zullen maken. Vervolgens gaan wij in op de herkomst van de middelen voor het financieren van deze taken.

 

Verdeling kosten
Uit onderstaande tabel blijkt dat veruit het grootste deel van de gemeentelijke kosten komt van het taakvelden burgerzaken en wonen en bouwen. Deze taakvelden vormen de kern van de directe lasten van de kostenonderbouwing. Hierin zijn ook de geactualiseerde kosten van VTH opgenomen. Daarnaast begroten wij vooralsnog € 125.000,- voor het taakveld overhead. Dit zijn kosten die wij maken door de sturing en ondersteuning van medewerkers in brede zin. Deze kosten zijn gebaseerd op de hiervoor genoemde systematiek. Tot slot wordt de compensabele BTW ad € 51.000,- verdisconteerd in de tarieven.

De werkelijke legesopbrengsten (inclusief rijksleges) waren in 2019 per saldo meer dan de toegerekende lasten. Dit werd veroorzaakt door een tweetal grote omgevingsvergunningen per plaatse van het KBP. Voor leges wordt voor 2020 een opbrengst geraamd van € 1.373.000,-. Deze hogere raming wordt veroorzaakt door een aantal grote nieuwbouwprojecten. De legesopbrengst voor 2021 wordt mede als gevolg van de inflatoire aanpassing van de tarieven verhoogd met € 53.000,- en bedraagt dan € 1.113.000,-. In deze opbrengst zijn ook de rijksleges verdisconteerd. Deze leges dragen we weer af aan het rijk en zijn daarom ook verdisconteerd onder de uitgaven.

 

Kostendekkendheid van de leges Werkelijk 2019 Begroot 2020 Begroot 2021
Kosten taakveld burgerzaken 0.2 -252.000 -316.000 -234.000
Kosten taakveld burgerzaken 1.2 -36.000 -42.000 -33.000
Kosten verkeer en vervoer 2.1 -13.000 -11.000 -10.000
Kosten taakveld samenkracht en participatie 6.1 -35.000 0 0
Kosten taakveld wonen en bouwen 8.3 -422.000 -797.000 -660.000
Netto kosten taakvelden -758.000 -1.166.000 -937.000
Toe te rekenen kosten:
Overhead (inclusief rente omslag) -140.000 -149.000 -125.000
BTW -40.000 -58.000 -51.000
Totale kosten taakvelden -938.000 -1.373.000 -1.113.000
Opbrengst leges (titel I t/m III) 1.168.000 1.373.000 1.113.000
Dekkingspercentage 125% 100% 100%
(- = nadeel en + = voordeel)

Kruissubsidiëring

Binnen titel 1 is kruissubsidiëring (een verwacht overschot bij de ene activiteit wordt gebruikt voor de dekking van een verwacht tekort bij een andere activiteit) toegestaan. Zo mag bijvoorbeeld het tarief voor huwelijksvoltrekkingen meer dan kostendekkend worden vastgesteld ter compensatie van een niet kostendekkend tarief voor paspoorten. Ook binnen titel 2 is kruissubsidiëring toegestaan. Bij de invoering van de omgevingsvergunning in 2010 was het weliswaar de wens van de wetgever dat alleen binnen de omgevingsvergunning kruissubsidiëring zou worden toegepast en niet met dienstverlening daarbuiten. Maar inmiddels heeft de rechter geoordeeld dat kruissubsidiëring tussen titel 1 en titel 2 niet verboden is. Niet kostendekkende tarieven voor de diensten die vallen onder titel 1 mogen dus gecompenseerd worden door meer dan kostendekkende tarieven voor de omgevingsvergunning. Op grond van de Europese Dienstenrichtlijn is binnen titel 3 kruissubsidiëring niet toegestaan. Voor elk van de tarieven van titel 3 geldt de norm van maximaal 100% kostendekking.

 

Gemeentelijk kwijtscheldingsbeleid

Voor de meeste inwoners van onze gemeente levert het betalen van de gemeentelijke belastingen en heffingen geen probleem op. Er zijn echter ook personen voor wie de betaling van de gemeentelijke belastingen een buitengewone inspanning betekent. Voor hen is er de mogelijkheid om een beroep te doen op de kwijtscheldingsregeling die in de gemeente wordt toegepast.
De gemeente heeft beperkte beleidsvrijheid, aangezien deze sterk is gekoppeld aan normen die door het Rijk worden opgelegd. Dit is een gevolg van de centraal geleide inkomenspolitiek. Bij besluit van 20 december 2001 heeft uw raad de “kwijtscheldingsregeling gemeentelijke belastingen” vastgesteld. Deze regeling heeft uitsluitend betrekking op de onroerende zaakbelastingen, de afvalstoffenheffing en de rioolheffing.

Voor de kwijtschelding van gemeentelijke heffingen is voor 2021 een budget van € 31.000,- opgenomen. De dekking van deze kosten geschiedt middels de tarieven van afvalstoffenheffing en rioolheffing.

 

Aanslagoplegging gemeentelijke belastingen 2021

Net als voor belastingjaar 2020 wordt voor belastingjaar 2021 gekozen voor één gecombineerde aanslag gemeentelijke belasting die eind februari 2021 zal worden opgelegd met daarop:
- de WOZ-beschikking                                                        - de aanslag onroerende-zaakbelastingen
- het vastrecht afvalstoffenheffing                             - het vastrecht rioolheffing
- BIZ-belasting voor eigenaren en gebruikers     - het variabele tarief afvalstoffenheffing 2020 (diftar)

 

Bij het betalen van de gecombineerde aanslag via automatisch incasso wordt uitgegaan van 10 termijnen. Voor diegene die geen gebruik maken van het automatisch incasso blijft het aantal betaaltermijnen 2. Het samenvoegen van alle aanslagen tot één gecombineerde aanslag zorgt er voor dat minder kosten voor drukwerk en verzending behoeven te worden gemaakt.