Omschrijving (toelichting)
Het algemene uitgangspunt is een sluitende begroting. Wettelijk gezien hoeft alleen het 1e begrotingsjaar sluitend te zijn. Als dit niet het geval is moet de begroting meerjarig (laatste jaarschijf) sluitend zijn. De begroting is voor het begrotingsjaar 2027 structureel en reëel sluitend. Hierbij wordt in begrotingsjaar 2027 gebruik gemaakt om een deel van de vrije ruimte van de algemene reserve in te zetten ter dekking van structurele lasten. Voor de jaren 2028 tot en met 2030 toon de begroting een structureel tekort. Momenteel doorlopen we een traject om ook meerjarig weer te komen tot een evenwichtige balans tussen taken, ambities en financiële middelen.
De raad is middels de unanieme besluitvorming van de perspectiefnota 2026 richtinggevend geweest voor het opstellen van de begroting 2027-2030. De financiële consequenties van de meicirculaire 2026 hebben we hier aanvullend aan toegevoegd. Alle baten en lasten van het bestaande beleid zijn verwerkt in de meerjarenraming.
Welke uitgangspunten gelden er bij de incidentele baten en lasten?
De "BBV-notitie structurele en incidentele baten en lasten" heeft als doel het onderscheid tussen structureel en incidenteel te verduidelijken. Door de gezamenlijke provincies als toezichthouder is ook een handreiking uitgebracht, met als doel scherper te definiëren wanneer baten en lasten als incidenteel beschouwd worden. Baten en lasten zijn in principe structureel van aard, incidentele lasten zijn de uitzondering. Het voorzichtigheidsprincipe is hierbij, net als bij alle andere onderdelen van het BBV van toepassing. Dit betekent dat, in geval van twijfel, er altijd sprake is van structurele baten en lasten.
De aard van de baten en lasten bepaalt of een post als incidenteel of structureel aangemerkt wordt. Baten en lasten waarbij het niet duidelijk is of deze voor bepaalde of onbepaalde tijd zijn, dus zonder duidelijke einddatum, moeten ook als structureel worden aangemerkt.
De provincie geeft in de “Gemeentelijk financieel toezichtkader gemeenten 2026” de nodige aandachtspunten. Ook de BBV voorschriften schrijven voor dat, naast de gronden waarop de ramingen zijn gebaseerd, ook de motivering daarvan moet worden opgenomen. De gronden en motivering treft u onderstaand aan:
- Teneinde de gemeentelijke koopkracht op peil te houden zijn de gemeentelijke belastingen, behoudens de toeristenbelasting, op basis van de financiële kaderstelling verhoogd met in eerste instantie een inflatiepercentage van 1,90%. De verhoging van belastingen en rechten, waarbij sprake is van volledige kostendekking, is afhankelijk van de opgetreden kostenstijging.
- De berekening van de uitkering uit het gemeentefonds is geraamd op basis van de meicirculaire 2026. De financiële effecten van de septembercirculaire 2026 zullen wij t.z.t. via een mededeling ter kennis brengen aan uw raad, zodat u de financiële effecten daarvan alsnog kunt betrekken bij de besluitvorming over deze begroting. Eventuele significante wijzigingen als gevolg van de septembercirculaire 2026 worden ook via een aparte begrotingswijziging aan u voorgelegd. De uitkering is opgenomen tegen een constant loon- en prijsniveau.
- De ramingen die onderhevig zijn aan nominale ontwikkelingen (aantal inwoners, aantal woningen, aantal bijstandontvangers e.d.) zijn in meerjarenramingen aangepast.
- Voor de jaren 2028 tot en met 2030 is uitgegaan van een constant loon- en prijsniveau met als basis het niveau zoals opgenomen in de begroting 2027.
- De uitgaven aan onderhoud van kapitaalgoederen zijn gebaseerd op beleidskaders en beheerplannen per kapitaalgoed. De onderhoudsbudgetten zijn reëel verwerkt in de meerjarenraming.
- Lasten voor nieuw beleid/investeringen worden reëel geraamd. We starten begrotingstechnisch met afschrijven in het jaar na gereedkomen. We nemen daarom 100% van de kapitaallasten in het jaar na gereedkomen als structurele last op in de begroting.
- In het meerjarig investeringsprogramma 2026–2030 is rekening gehouden met een jaarlijks rentepercentage van 3,00%.
- De verwerking van reserves en voorzieningen geschiedt op basis van het vastgestelde beleidskader.
- We rekenen geen rente meer over het eigen vermogen en vreemd vermogen.
- De interne rekenrente van 1,40% wordt gebruikt om de werkelijk begrote rentekosten te verdelen over de boekwaarden van de activa. Het verschil tussen de werkelijk begrote rente en de doorbelaste rente op basis van de boekwaarden wordt verwerkt in het taakveld algemene dekkingsmiddelen.
- De loonkosten worden geraamd op basis van de toegestane formatie 2027. Voor 2027 houden we rekening met een loonontwikkeling van 2,575%. Dat is het gewogen gemiddelde van een loonstijging van 1,6% voor de periode 1 januari tot en met 31 maart en een loonstijging van 2,9% (op basis van de Macro Economische Verkenning 2026 van het CPB) voor de periode 1 april tot en met 31 december. Naast deze loonontwikkeling houden we rekening met de periodieke verhogingen van personen die daarvoor in aanmerking komen.
- Zowel in de begroting als in de meerjarenraming zijn de aan arbeidskosten gerelateerde verplichtingen geraamd, zoals ziektekosten- en pensioenpremies en vakantie- en overige IKB gelden. Dat is in overeenstemming met de vereisten volgens de BBV-voorschriften.
- De lasten van het sociaal domein zijn afgestemd op de realisatiecijfers van vorige jaren in combinatie met afgesloten contracten.
- Voor de aanvullende maatregelen op de Hervormingsagenda Jeugd; het sturen op de verkorten van de trajectduur en het invoeren van een eigen bijdrage in de jeugdzorg, is vanaf 2028 een stelpost opgenomen (budgettair-neutraal).
- In de meerjarenbegroting is vanaf begrotingsjaar 2029 een stelpost opgenomen van de netto-uitname uit het gemeentefonds als gevolg van de maatregel huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening. De maatregel heeft daarmee een budgettair neutraal effect op de begroting.
- In de begroting wordt rekening gehouden met de ruimte onder het plafond het van het BTW compensatiefonds (BDF). Het bedrag is beperkt tot de afrekening van de ruimte onder het BCF-plafond voor het jaar 2025 (op basis van de meicirculaire 2026).
- De deelnemende gemeenten in een gemeenschappelijke regeling (GR) zijn verantwoordelijk voor de financiële positie van de GR.
- Het beschikbare weerstandsvermogen dient gekoppeld te worden aan de risico’s.
- De overhead is centraal in de begroting opgenomen. De toerekening van overhead geschiedt op basis van een opslag met een vast percentage van 65%.
- De incidentele lasten en / of baten moeten van materiële omvang zijn. In de "Financiële verordening gemeente Bladel 2025" hanteren we daarom in beginsel een ondergrens voor alle incidentele posten vanaf € 10.000.